Loading...

De Onderbreking

Waardering

Waardering

220 miljoen euro leefbaarheidsbaten bij A2 Maastricht

Schiedam, Ketheltunnel

Visie van: Léon Verhoeven

Financiering en beheer Westerscheldetunnel

Risicogestuurd grondonderzoek

Probleemloos na uitstel openstelling

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Verbinding wordt gebiedsontwikkeling

Afwegen in de praktijk

Kennisbank

Waardering

In de praktijk wordt veel gesproken over integrale gebiedsontwikkeling, maar men vergeet vaak de potentie van de bodem. De ondergrond kan een kwaliteitsimpuls geven aan de bovengrond. Welke waarde voegt ondergronds ruimtegebruik toe? Kunnen we die meerwaarde ook hard economisch neerzetten?

De huidige ruimtelijke ordening is primair gericht op de bovengrondse ruimte. Wanneer de ondergrondse ruimte als volwaardige component in de planvorming wordt meegenomen, komen de kansen in beeld. Zo kan ondergronds ruimtegebruik positief bijdragen aan maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie en klimaatverandering. Door functies ondergronds te brengen, blijft er bovengronds ruimte over voor andere doeleinden. Deze toegevoegde waarde van ondergronds bouwen is echter lastig in kaart te brengen, terwijl de kosten vaak relatief goed zijn in te schatten.

Veel participanten hebben met deze kwestie te maken en het COB wil hen hierin ondersteunen. Er spelen civieltechnische, juridische, beleidsmatige en economische vragen die in samenhang bekeken moeten worden om de ondergrond op waarde te kunnen schatten.

220 miljoen euro leefbaarheidsbaten bij A2 Maastricht

De ondertunneling van de A2 in Maastricht heeft de leefbaarheid in de stad sterk verbeterd. Onderzoeker Thomas Michielsen en zijn collega’s van het Centraal Planbureau hebben berekend dat de leefbaarheidswinst voor bestaande huizen binnen een kilometer van de tunnel 220 miljoen euro bedraagt. Jos Geurts, manager gebiedsontwikkeling A2 Maastricht, is verrast, omdat vooraf een leefbaarheidswinst van 12 miljoen euro werd berekend.

Uit de CPB-notitie Leefbaarheidsbaten A2 tunnel Maastricht blijkt dat de onderzoekers voorzichtig zijn. De 220 miljoen euro leefbaarheidswinst is duidelijk de ondergrens. De onderzoekers schrijven in de notitie:

“De totale leefbaarheidsbaten van de ondertunneling zullen waarschijnlijk hoger uitvallen dan de 220 miljoen euro die wij berekenen voor woningen binnen één kilometer afstand van de tunnel. We kijken immers alleen naar bestaande woningen. [..] De effecten op commercieel vastgoed, dat ook baten zal ondervinden van de leefbaarheidsverbeteringen, nemen we niet mee in ons onderzoek. [..] Door het vrijkomen van grond kunnen nieuw vastgoed en een park ontwikkeld worden, ook dit hebben we niet meegenomen. Het is verder mogelijk dat de huizenmarkt nog niet alle effecten reflecteert, waardoor de huizenprijzen in de nabije toekomst nog verder blijven stijgen. In onze studie vinden we ook een toename van huizenprijzen in het gebied van 1 tot 2 kilometer van de tunnel ten opzichte van huizen verder dan 2 kilometer van de tunnel. We waarderen die toename op ongeveer 500 miljoen euro. Dit bedrag kunnen we echter niet aan de ondertunneling van de A2 toeschrijven. Het is onduidelijk wat deze toename heeft veroorzaakt.”

Thomas Michielsen, onderzoeker bij het Centraal Planbureau: “Er zijn als onderdeel van het project nu nog bouwwerkzaamheden gaande die mogelijk nog invloed kunnen hebben op de leefbaarheidseffecten. Het lijkt interessant om over anderhalf jaar nog eens te kijken.”

Andere aanpak

De door het CPB gehanteerde onderzoeksmethode is nieuw en lijkt veelbelovend voor projecten die een grote maatschappelijke impact hebben. Om inzicht te krijgen in de leefbaarheidseffecten van een infrastructureel project als de A2 Maastricht, kijken onderzoekers naar verschillende niet-bereikbaarheidseffecten, zoals geluidsoverlast, luchtkwaliteit, veiligheid en kwaliteit van de publieke ruimte. De onderzoekers van het CPB: “In onze studie scharen we al deze individuele effecten onder de noemer ‘leefbaarheidseffecten’: ze zijn immers belangrijk voor de waardering die mensen hebben voor de leefomgeving. Wij herleiden die leefbaarheidseffecten door te kijken naar de stijging van de woningprijzen. Deze aanpak wordt in de wetenschappelijke literatuur veelvuldig toegepast om allerlei projecten te waarderen.”

Hoe dichter bij de tunnel (rood), hoe sterker de huizenprijzen stegen. Huizen in een straal van duizend meter (lichtgroen) werden 4,1 procent meer waard dan vergelijkbare huizen op meer dan twee kilometer afstand. In een straal van vijfhonderd meter (felgroen) bedroeg het verschil zelfs 7,2 procent. (Beeld: CPB)

Thomas Michielsen: “Het onderzoek is mede gefinancierd door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), omdat men meer inzicht wil krijgen in bereikbaarheidsaspecten van de trek naar de steden en de bijdrage van stedelijke infrastructuur aan de leefbaarheid. Men had het gevoel dat deze aspecten met de gebruikelijke maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) niet zo goed uit de verf kwamen. Men vermoedde effecten, maar zag die niet terug in MKBA-berekeningen. Kortom, de vraag is: ‘Ben ik nou gek of de MKBA?’ Er is voor gekozen om de A2 Maastricht te onderzoeken, omdat we effecten in de directe omgeving met een grote mate van zekerheid aan het project kunnen toerekenen vanwege het ontbreken van andere beïnvloedende ontwikkelingen.”

Gevolg van integrale aanpak

De studie van het Centraal Planbureau kwam ook voor Maastricht als een verrassing. Toch heeft manager Gebiedsontwikkeling Jos Geurts wel een verklaring. “Wij hebben van meet af aan gezegd dat we niet alleen een mobiliteitsinsteek wilden. Deze uitkomst is voor mij de bevestiging dat het loont om te investeren in gebiedsontwikkeling in plaats van in alleen een tunnel. Normaal gesproken zou de tunnel zijn aangelegd vanuit mobiliteitsargumenten en zouden we als stad daarna aan de beurt zijn geweest. De wens om het project integraal aan te pakken, heeft ertoe geleid dat de opdracht werd verstrekt door een projectbureau, waarin Rijkswaterstaat, de provincie en de betrokken gemeenten vertegenwoordigd zijn.”

Bij de uitreiking van de Schreudersprijs voor de A2 Maastricht in 2017 noemde ook projectdirecteur Louis Prompers de gecombineerde insteek vanuit mobiliteit en leefbaarheid de kern van het succes: “We hebben het succes van dit project te danken aan het stadsbestuur van Maastricht en zijn visie om vast te houden aan een compacte stad in een weids landschap, en de visionaire kartrekkers van Rijkswaterstaat om een samenwerkingsverband aan te gaan met de regio voor een totaalaanpak van stad en snelweg.”

Normaal gesproken zou de tunnel zijn aangelegd vanuit mobiliteitsargumenten en zouden we als stad daarna aan de beurt zijn geweest.

Ondanks de gecombineerde insteek, werden de baten voor ‘stedelijke kwaliteit en barrièrewerking’ vooraf op niet meer dan 12 miljoen euro bepaald. Thomas Michielsen: “De leefbaarheidseffecten zijn bij de MKBA in het vooronderzoek onderschat. De baten blijken aanmerkelijk hoger zijn. Moeilijk kwantificeerbare effecten als het opheffen van een barrière tussen twee stadsdelen kun je met onze methodiek inzichtelijk maken.”

Jos Geurts verklaart het verschil tussen de CPB-methode en de MKBA als volgt: “Ben je geslaagd als je aan de wettelijke kaders voldoet, of als je aan de maatschappelijke kaders voldoet? Dat is waar het om gaat.” Als voorbeeld van het zwaarder laten wegen van maatschappelijke belangen noemt hij de oplossing voor geluidsoverlast in de flats naast het tracé. “Geluidsoverlast bij de A2 hadden we wettelijk kunnen oplossen door een geluidsscherm tussen de tunnel en de flats te plaatsen. We hebben de markt gevraagd met een andere oplossing te komen en hebben daarvoor in de aanbesteding extra punten toegekend. Dat leidde tot een ontwerp waarin de weg dertig meter werd opgeschoven.”

Betekenis voor onderzoek vooraf

Komend jaar gaat het CPB ook andere projecten onderzoeken. Thomas Michielsen: “De A2 Maastricht was een project waar we de kortetermijneffecten relatief gemakkelijk konden pinpointen. De vervolgvraag is of dat ook bij andere projecten mogelijk is. We gaan eenzelfde onderzoek nu doen voor de Spoorzone Delft.” Een volgende stap zou kunnen zijn dat het onderzoek achteraf data levert waarmee onderzoek naar leefbaarheidseffecten vooraf mogelijk wordt. Thomas Michielsen: “Je kunt met data je voorspellend vermogen vergroten. Maatschappelijke baten die nu nog als PM-post worden meegenomen, kun je dan op basis van ervaringscijfers concreter benoemen.” Jos Geurts: “Maar dat kan alleen als je vooraf duidelijk benoemt wat je wilt bereiken. Waar is een project voor bedoeld? Dan weet je wat je meet en welke argumenten daarbij een rol spelen.”

Bij het COB

In het COB-project Waarde van ondergronds bouwen wordt onderzoek gedaan naar het expliciet maken van de bijdrage die ondergronds bouwen levert aan de bovengrondse leefomgeving. In het project zijn de afgelopen twee jaar tien ondergrondse projecten geëvalueerd. Met een (ex post) MKBA is gekeken naar de waarde en er is een studie gemaakt van het besluitvormingsproces.
>> Meer over project Waarde van ondergronds bouwen

Het ontbrekende stukje

Tussen Delft en het Kethelplein bij Schiedam is tussen 2011 en 2015 het ontbrekende deel van de A4 aangelegd. Onderdeel van dit zeven kilometer lange stuk snelweg is de Ketheltunnel, een landtunnel op de grens van de gemeenten Schiedam en Vlaardingen.

De Ketheltunnel (Foto: COB) ligt grotendeels op maaiveld en heeft twee buizen en een middenkanaal dat onder andere dient als vluchtroute. De tunnel is bijna veertig meter breed en is een categorie C-tunnel. Dat houdt in dat vrachtauto’s met gevaarlijke stoffen die kunnen exploderen, niet door de tunnel mogen.

De weg tussen de noordelijke tunnelmond en Delft is grotendeels verdiept aangelegd om verstoring van het open weidelandschap van Midden-Delfland zoveel mogelijk te voorkomen. Ten noorden van de tunnel ligt de weg bijna anderhalve kilometer lang ruim zes meter diep in een bak met geluidswerende wanden en naar beneden gerichte ledverlichting. Vervolgens ligt de weg ruim tweeënhalve kilometer half verdiept – circa twee meter onder maaiveld – met aan beide zijden een begroeide aarden wal.

Bij de realisatie van de tunnel is veel aandacht besteed aan een goede landschappelijke inpassing en het minimaliseren van overlast voor de omgeving. Bovenop de constructie is bijvoorbeeld een park aangelegd, waarin omwonenden kunnen recreëren. Verder liggen tegen de zijwanden aarden taluds om de landtunnel aan het oog te onttrekken. In deze taluds zijn de drie dienstgebouwen aangebracht. Het noordelijke deel van de tunnelconstructie is met betonnen luifels verbreed tot tachtig meter. Op dit bredere deel zijn sportvelden aangelegd en onder de luifels zijn parkeerplaatsen gemaakt.

Het wegdek van de tunnel ligt direct op het zand en de vier wanden van de tunnel – de buitenwanden en de wanden van het middenkanaal – zijn elk gefundeerd op een rij vibropalen. De tunnel is opgebouwd uit vijftig moten van veertig meter lang die ter plekke zijn gemaakt.

Tunnelbuizen

De oostelijke tunnelbuis, met verkeer richting Delft, is 1.620 meter lang en heeft vier rijstroken. De westelijke buis, met verkeer richting Kethelplein, is 1.950 meter lang en heeft drie rijstroken. Twee daarvan zijn voor doorgaand verkeer. De derde rijstrook is de afrit naar de A20 richting Hoek van Holland. Deze splitst al voor de tunnel af en loopt, afgescheiden door verdringingsstrepen, parallel aan de hoofdrijbanen. Voor de vroege afsplitsing is gekozen om weefbewegingen in de tunnel te voorkomen. In de westelijke tunnelbuis is voldoende ruimte om in de toekomst een vierde rijstrook aan te leggen.

Door de verschillende lengtes liggen de tunnelmonden van de tunnelbuizen aan de zuidzijde ruim driehonderd meter van elkaar af. De oostelijke buis begint meer naar het noorden, omdat in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw) is vastgelegd dat er tien seconden rijtijd moet zitten tussen een samenvoeging – in dit geval het Kethelplein – en het begin van de oostelijke tunnelbuis.

Visualisatie van de verspringende tunnelmonden aan de zuidzijde. (Beeld: Rijkswaterstaat)

Aan de noordzijde liggen de tunnelmonden wel naast elkaar. De tunnel gaat hier over in het verdiepte tracé. Daarna volgt het half verdiepte deel. In Delft sluit de weg op maaiveld aan op de bestaande A4 richting knooppunt Ypenburg.

Grondwater

Een paar maanden voor de opening van de tunnel, op 18 december 2015, was het nog even spannend of Rijkswaterstaat alle vergunningen rond zou krijgen. De diepwanden van de verdiepte bak bleken minder waterdicht dan gedacht. Daardoor moet dagelijks ongeveer 1.400 kubieke meter grondwater rond de bak worden onttrokken in plaats van de geplande 400 kubieke meter. Door deze grotere onttrekking kan er schade aan gebouwen in de omgeving ontstaan en kan het veen sneller inklinken. Dat was reden voor het waterschap om de benodigde watervergunning niet zonder meer af te geven. De vergunning kwam pas nadat Rijkswaterstaat had aangegeven een deel van het onttrokken water via retourbemaling diep in de bodem te herinfiltreren en het grondwaterpeil en de gebouwen uitgebreid te gaan monitoren.

Visie van: Léon Verhoeven

‘Durven kiezen levert echt op!’

“Waar we in onze zichtbare leefomgeving elke dag heel nadrukkelijk en soms onbewust kiezen hoe we onze ruimte willen inrichten en benutten, staan we daar voor onze onzichtbare leefomgeving, de ondergrond, vaak onvoldoende bij stil. Op zich is dat bijzonder, omdat de onomkeerbaarheid van keuzes ondergronds vaak veel groter is dan bovengronds.”

“Door zijn brede ledennetwerk, zowel publiek als privaat, vind ik het COB uitermate geschikt om kennis over het gebruik van onze ondergrond aan elkaar over te dragen. Een multidisciplinair kennisbedrijf als Oranjewoud, met grote adviesonderdelen op het gebied van bodem, ruimtelijke ordening en ondergrondse infra, wil hieraan een actieve bijdrage leveren. Wij kiezen daarbij altijd voor een praktische insteek.

Lef

Het is een goede ontwikkeling dat we in Nederland de waarde van de ondergrond steeds meer meenemen in onze plannen. Veel gemeenten en provincies hebben uitgewerkte ondergrondvisies en beleidsdocumenten. Veelal zijn deze documenten echter een opsomming van alle ondergrondissues met daarbij de mogelijkheden en onmogelijkheden. Bovendien worden alle issues als even belangrijk ervaren. De urgentie om keuzes te maken wordt gelukkig voelbaar, maar er is nog onvoldoende kennis beschikbaar over de consequenties van keuzes. Of het politieke lef ontbreekt. Houden we locaties beschikbaar voor optimaal gebruik van bodemenergie, de winning van mineralen of grondwater? Dit zijn voorbeelden van primaire keuzes die van invloed zijn op ondergrond en bovengrond. Door het maken van heldere keuzes worden onzekerheden weggenomen en wordt het voor private partijen interessanter om in de ondergrond te investeren.

Kiezen

We staan voor complexe vragen, vaak nog zonder antwoord. Kijken we naar de opgaven vanuit inhoud, proces, organisatie of strategie? Waar ligt het precaire evenwicht tussen benutten en beschermen van de ondergrond? Vanuit welk perspectief benaderen we vervolgens de ondergrond: vanuit de klassieke bodemthema’s, de gewenste ruimtelijke of infrastructurele ontwikkelingen of de toekomstige maatschappelijke opgaven? En als er dan antwoord is op deze vragen, waarop, hoe en door wie wordt de regie gevoerd?

Met elkaar moeten we bepalen wat echt belangrijk is; nu, over tien jaar en voor volgende generaties. Dit is zeker niet alleen een opgave voor de centrale en lokale overheid. Juist de private sector en de burgers moeten nadrukkelijk onderdeel zijn van dit proces, en in een zo vroeg mogelijk stadium. Het is echter de uiteindelijke taak van de overheid nadrukkelijk de randen van het speelveld te bepalen door het stellen van heldere kaders. Oranjewoud helpt een aantal overheidsinstanties hierbij, en dat kunnen we nog beter door onze participatie in het COB.

Het maken van keuzes is een uitdrukkelijke voorwaarde om een ‘onzichtbare’ leefomgeving te creëren die toekomstbestendig is. Ik ben daarom ook zeer benieuwd hoe de rijksstructuurvisie voor de ondergrond (STRONG) er uiteindelijk uit komt te zien. Durven kiezen levert echt op!”

Léon Verhoeven is businesslijndirecteur Milieu bij advies- en ingenieursbureau Oranjewoud. Hij is binnen en buiten Oranjewoud nauw betrokken bij allerlei thema’s rondom regie en ordening van de ondergrond, onder andere bij het COB.

(Foto: Vincent Basler)

Financiering en beheer Westerscheldetunnel

Dit artikel is onderdeel van een tweeluik, zie het artikel ‘Beter beheer, heeft de financieringsvorm daar invloed op?

De Westerscheldetunnel, met 6,6 kilometer de langste wegverkeerstunnel van Nederland, werd in 2003 geopend. De geboorde tunnel wordt voor een periode van dertig jaar geëxploiteerd door de N.V. Westerscheldetunnel, die gedurende die periode tol heft. In 2033 wordt de tunnel overgedragen aan het Rijk.

“Kenmerkend voor de Westerscheldetunnel is dat de klant vooropstaat in beschikbaarheid en de tariefstelling. We kunnen ons bijvoorbeeld niet veroorloven dat we de tarieven ineens met tien procent moeten verhogen”, zegt algemeen directeur Harald Schoenmakers. “Onze focus op de klant is een belangrijk deel van het succes. In alles staat voorop dat we het voor de klant doen. Die aanpak kun je niet in het hele land realiseren. Als in 2033 de tol eraf gaat, wordt ook de Westerscheldetunnel alsnog een ‘gewone’ tunnel.”

(Foto: N.V. Westerscheldetunnel)

“Wij zijn gebaat bij voorspelbaarheid en hebben daarom gekozen voor een langjarig onderhoudscontract. In 2013 hebben we na een Europese aanbesteding een contract afgesloten voor twintig jaar met onderhoudsaannemer WM (Westerscheldetunnel Maintenance, bestaande uit Croonwolter&dros, Mobilis en BAM, red.). Dat betekent dat we op papier weten wat ons te wachten staat. Operationeel en financieel weten we wat er gebeurt. Dat is een belangrijk verschil met andere tunnels waar kortere contractduren gelden.”

Ook in de afspraken die zijn gemaakt, gaat de exploitatiemaatschappij op zeker. Manager technisch beheer en onderhoud Patrick Dankaart: “We hebben een contractvorm waarbij de aannemer grotendeels invulling geeft aan de uitvoering, maar waarbij we toch zo’n beetje de helft hebben voorgeschreven. Toen de Westerscheldetunnel werd geopend, was er nog geen nationale tunnelwetgeving. Maar in de gebruiksvergunning van de gemeente Borsele waren wel al allerlei bepalingen opgenomen ten aanzien van het testen van installaties. Dat geldt voor alles, waardoor we nooit discussie hebben over wat het betekent dat een installatie ‘functioneel werkt’; niet met het bevoegd gezag en niet met de aannemer.”

Hoge beschikbaarheid

Met ongeveer een kwart van het twintigjarig contract achter de rug is men bij de N.V. Westerscheldetunnel dik tevreden met de samenwerking met de aannemer. De tunnel is ruim 98% van de tijd beschikbaar zonder beperking in een van de tunnelbuizen. En zelfs tijdens de renovatie (eind 2016 – half 2018), die deel uitmaakte van het langjarige contract, kwam de beschikbaarheid maar een half procent lager uit. Harald Schoenmakers: “Niet-beschikbaarheid vanwege onvoorzien falen van de tunnel is de kleinste factor. De impact van ongevallen en pechgevallen is veel groter.”

De paar procent niet-beschikbaarheid komt voort uit de nauwgezet geplande vierwekelijkse nachtelijke onderhoudsafsluitingen die om en om per tunnelbuis worden uitgevoerd. De verbinding tussen Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen blijft dan met tegenverkeer mogelijk in een van de tunnelbuizen. Met een verkeersaanbod van circa 1.000 auto’s tussen 21.00 en 4.00 uur treft die aanpak slechts een zeer beperkt deel van de passanten. Volledige uitval van de tunnel zou – zeker overdag – enorme consequenties hebben. In de spits kan het aantal passanten oplopen tot 2.800 per uur. Die zouden allemaal tot zo’n honderd kilometer moeten omrijden. “De mate van technische beschikbaarheid zou zonder tol dus niet anders zijn”, stelt Harald Schoenmakers.

‘In de spits kan het aantal passanten oplopen tot 2.800 per uur. Die zouden allemaal tot zo’n honderd kilometer moeten omrijden.’

“De bereikbaarheid en het feit dat er geen alternatieve route beschikbaar is, zijn in de beginperiode al heel bepalend geweest voor de inrichting van beheer en onderhoud. Het heeft er toen al toe geleid dat we voorliepen op de wet- en regelgeving. Bij het afsluiten van het nieuwe contract in 2012 zijn we vanuit die basis verder gaan werken.” Patrick Dankaart: “We hebben het voordeel dat veel installaties redundant zijn uitgevoerd, dat tegenverkeer mogelijk is en dat de tunnel van meet af aan technisch in orde is geweest. Maar dat neemt niet weg dat we de beschikbaarheid niet wilden laten afnemen. De renovatie is nu een half jaar achter de rug en de beschikbaarheidscijfers zien er goed uit.”

Contact met de klant

In 2018 brak de Westerscheldetunnel door de grens van 7,5 miljoen passages. “Op werkdagen passeren drie keer zoveel voertuigen als op de veerboten voordat de Westerscheldetunnel werd geopend”, weet Harald Schoenmakers. Circa twee derde van die passages komt voor rekening van de 55.000 abonnees die gebruikmaken van de t-tag.

Harald Schoenmakers: “We zien gebruikers ook echt als klanten. We gebruiken verschillende communicatiekanalen om in contact te blijven en we faciliteren klanten in de betaalwijze. Naast de t-tag kunnen klanten zo’n vijftien verschillende kaarten gebruiken en sinds kort ook contactloos betalen. Eens per drie jaar voeren we een klanttevredenheidsonderzoek uit. Op basis van de resultaten doen we waar nodig aanpassingen.”

Ruimte voor innovatie

Uitgangspunt van de in de zomer van 2018 afgesloten renovatie was dat alle installaties tot aan de overdracht van de tunnel aan het Rijk mee zouden kunnen. De aannemerscombinatie is gedurende die periode verantwoordelijk voor het voorkomen en oplossen van storingen en vervangingen. Als uitvoerder van de renovatie heeft die partij daar ook het beste zicht op. Vijftien jaar komt overeen met de verwachte technische levensduur. Maar daarmee is nog niet voorzien in de potentiële technische ontwikkelingen die tot vroegtijdige vervanging zouden kunnen leiden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor energiezuiniger systemen. In het contract met Westerscheldetunnel Maintenance is juist vanwege de lange duur ruimte gelaten voor tussentijdse aanpassingen.

Harald Schoenmakers: “Al bij de renovatie hebben we afspraken gemaakt over de mogelijkheid om innovaties toe te passen. Dat is met wat wij de ‘state-of-the-art-clausule’ noemen gebeurd met het snelheidsdetectiesysteem. Je kunt je voorstellen dat we de komende jaren omwille van het energieverbruik besluiten de verlichting eerder te vervangen. Waar dat in het belang is van de klant, kijken we samen met de aannemer naar potentieel toepasbare nieuwe ontwikkelingen.”

'Risicogestuurd grondonderzoek' bruikbaar wapen in strijd tegen faalkosten

Begin 2013 verschijnt het rapport Risicogestuurd grondonderzoek. Dit rapport is door een grote groep geotechnici vanuit Geo-Impuls opgezet om faalkosten te verminderen. (Het ontbreken van) de benodigde informatie over de ondergrond blijkt een belangrijke factor bij het optreden van faalkosten.

Het risico van faalkosten ontstaat juist dan wanneer verkeerde ontwerpbeslissingen of inschattingen worden gemaakt doordat op dat moment de benodigde informatie uit grondonderzoek ontbreekt. De publicatie helpt partijen die risico’s beter te beheersen en om in de contractvorming tot een daarbij passende toedeling van verantwoordelijkheden te komen. In de praktijk zijn er legio voorbeelden waarbij pas in een laat stadium werd ontdekt dat er sprake was van een verhoogd risicoprofiel. Zo zou het risico van herstel- en gevolgschade als gevolg van verzakkingen kunnen worden beperkt, doordat benodigde informatie als gevolg van het werken met het ontwikkelde instrument tijdig beschikbaar is.

De publicatie past in Geo-Impuls, het programma dat in 2015 moet leiden tot vijftig procent reductie van geotechnisch falen. De publicatie Risicogestuurd grondonderzoek is een vervolg op het Delft Cluster/CUR-project Grondonderzoek in de tenderfase. Martijn van Vliet, namens Rijkswaterstaat trekker van de werkgroep die de uiteindelijke publicatie ontwikkelde: “We zijn bewust van die oude naam afgestapt, omdat de nadruk op de tenderfase te beperkt zou zijn. Vanuit Geo-Impuls was er behoefte om het onderzoek breder en uitgebreider op te pakken, omdat we zagen dat er in de contractvorming steeds vaker een spanningsveld ontstaat ten aanzien van risico’s en verantwoordelijkheden. Welk onderzoek hoort bij het voorwerk van de opdrachtgever en wat hoort bij het werk van de aannemer? Dat probleem speelt bij elke contractvorm.”

“Wat wij met dit rapport willen benadrukken, is dat er in elke fase van een project grondonderzoek nodig is en dat je de uitkomsten steeds naar de volgende fase moet overdragen. Zo werk je van grof naar fijn, waarbij de onzekerheidsfactor steeds kleiner wordt. Je werkt van de eerste fase (is een tunnel hier überhaupt mogelijk?) tot de uitvoering (hoeveel kracht is er nodig om de damwand te installeren ?).”

Praktisch toepasbaar
De commissie is erin geslaagd om een praktisch instrument af te leveren. De inleiding van het rapport is gewijd aan de systematiek en daarmee voor alle lezers van belang. In de hoofdstukken erna is echter gekozen voor een indeling naar type bouwwerk/kunstwerk. Daarmee sluit de commissie aan bij de beleving en de werkwijze in de praktijk van alledag. Martijn van Vliet: “De publicatie is toegankelijk voor de gebruiker die vaak met één type project tegelijk bezig is. Per type bouwwerk/kunstwerk hebben we benoemd wat de risico’s zijn. De risicogestuurde aanpak betekent dat we omschrijven wat er moet gebeuren om zo’n risico te beheersen en hoe je je bevindingen zo documenteert dat men er in de volgende fase mee verder kan. De opdeling naar bouwwerk/kunstwerk betekent dat iedereen het voor hem relevante hoofdstukje erbij kan zoeken.”

De commissie heeft in de totstandkoming van het rapport steeds gewerkt aan een breed draagvlak. De commissie bestond weliswaar voornamelijk uit mensen met een technische achtergrond, maar er zijn binnen Geo-Impuls ‘onderweg’ workshops georganiseerd om mensen die met aanbestedingen bezig zijn bij de ontwikkeling van het instrument te betrekken.”Risicogestuurd werken betekent dus juist niet dat er dwingende voorschriften zijn als ‘Gij zult elke tien meter een prikje doen’. Het gaat erom dat er in een vroeg stadium wordt nagedacht over de geotechnische risico’s en dat het onderzoek wordt aangepast op basis van de werkelijke projectrisico’s.

Geo-Impuls
Het doel van Geo-Impuls is om vijftig procent reductie van faalkosten als gevolg van  geotechnisch falen te bewerkstelligen. Martijn van Vliet: “We hebben andere Geo-Impulsteams, die allemaal op een andere manier aan faalkostenbeperking werken,  bij dit project kunnen betrekken. Het is juist de Geo-Impulsomgeving die dit verder heeft kunnen brengen dan mogelijk was binnen de oude CUR-werkgroep. De andere setting heeft letterlijk een impuls gegeven. Het toepassen van georisicomanagement (GeoRM) is één van de belangrijkste producten van de Geo-Impuls.  Het resultaat is een handreiking aan partijen om beter met de risico’s te kunnen omgaan. Voorwaarde voor het slagen van deze aanpak is eigenlijk alleen dat je met z’n allen vooraf afspreekt dat je met de voorgestelde systematiek gaat werken.”

Martijn van Vliet is overtuigd van de praktische toepasbaarheid van de publicatie. ‘Het is geheel gebaseerd op bestaande kennis. Alleen de methodiek is nieuw. Het onderzoek dat we per bouwwerk/kunstwerk per fase aanbevelen, is gebaseerd op best practices. De gedachte daarachter is dat je wel allerlei hightechzaken kunt voorstellen, maar dat daar weinig van terechtkomt als het niet past in de praktijk. Het gaat er kortweg om dat je met dit rapport gemakkelijker kunt besluiten welk onderzoek nodig is.”

Salland-Twentetunnel functioneert probleemloos na uitstel openstelling

Op 29 augustus 2015, bijna negen maanden later dan gepland, ging de Salland-Twentetunnel in Nijverdal open voor het wegverkeer. Daarmee is de gecombineerde spoor- en autotunnel volledig in gebruik. Het treinverkeer rijdt al sinds voorjaar 2013 door de tunnel. Eelco Negen van Rijkswaterstaat legt uit wat er aan de hand was bij de autotunnel, hoe de problemen zijn opgelost en wat de leerpunten zijn.

“Volgens de oorspronkelijke planning zou de autotunnel half december 2014 opengaan”, vertelt Eelco Negen, die sinds maart 2015 projectmanager is van de combitunnel. “Dat was een heel krappe planning. Eind oktober werd duidelijk dat we die niet zouden halen. Alle tunneltechnische en verkeerstechnische installaties waren inmiddels aangebracht en we waren volop bezig met testen. Daarbij bleek dat de verbinding tussen de installaties en de verkeerscentrale in Wolfheze – van waaruit de tunnel bediend moest worden – niet functioneerde. Alsof je internetverbinding eruit ligt, maar dan in het groot met eindeloos veel ingewikkelde softwareprotocollen die niet goed communiceren met de ‘routers’. Daarmee hadden we een serieus probleem, omdat we vanuit de verkeerscentrale alle techniek en procedures nog moesten testen. Door de verbindingsproblemen kon dat niet, en het ontwerp bood ook niet de mogelijkheid om de testen lokaal uit te voeren.”

Terug naar af

“Er zat dan ook niets anders op dan terug naar af te gaan en alle instellingen, prioriteringsregels en veiligheidsprotocollen stap voor stap te doorlopen en te testen. Begin februari 2015 waren we daarmee klaar en hadden we een betrouwbare verbinding die goed werkte met alle software en tunnel- en verkeerstechnische installaties. Pas toen konden we het resterende testprogramma doorlopen.”

“Een dergelijk testprogramma is heel uitgebreid”, legt Negen uit. “Het bestaat in grote lijnen uit twee onderdelen: testen gericht op de techniek en testen waarbij wordt gekeken naar de samenhang tussen de techniek, de procedures en de bediening door de tunneloperators. Bij de technische testen ga je eerst na of elke deelinstallatie in de tunnel het doet. Als dat het geval is, kijk je of het integrale systeem functioneert. Dat is een enorme klus, aangezien er in de tunnel meer dan vijftig verschillende installaties zitten. Bij een calamiteit, zoals een autobrand in de tunnel, moeten die installaties perfect met elkaar samenwerken. De slagbomen om de tunnel af te sluiten kunnen bijvoorbeeld pas worden neergelaten als de verkeerslichten voor de slagbomen op rood zijn gezet. Ondertussen moet de blusinstallatie in gereedheid zijn gebracht, moet het verlichtingsniveau omhoog en moeten de ventilatoren de vrijkomende rook in de goede richting gaan afvoeren. Al deze samenwerkingsstappen moesten we controleren. Vervolgens zijn we de tunneloperators gaan trainen en hebben we alle procedures en de bediening getest.”

Systematisch

“De essentie van een testprogramma is protocollen volgen en uiterst systematisch werken: je moet iedere stap zorgvuldig doorlopen, opschrijven wat eruit komt en vervolgens eventuele fouten herstellen. Daardoor is het testen een vrij langdurig traject. Daar zit natuurlijk niemand op te wachten als een project al is uitgelopen. Ik heb echter de ervaring dat het overslaan van stappen in een later stadium tegen je werkt. De kans neemt bijvoorbeeld enorm toe dat je dan na de openstelling met allerlei kinderziektes te maken krijgt. Tegelijkertijd begrijp ik ook wel dat een projectorganisatie onder druk van de omgeving soms probeer t om op een creatieve manier de duur van de testperiode te verkorten. Dat is prima zolang het er maar niet toe leidt dat stappen worden overgeslagen. Zo ben ik erg blij dat we in Nijverdal het testprogramma zorgvuldig en volledig hebben doorlopen. Ik ben er namelijk van overtuigd dat dit ervoor heeft gezorgd dat de tunnel sinds de opening probleemloos functioneert en goed te bedienen is.”

“Uiteindelijk hebben we eind juni 2015 de testperiode afgerond, met als laatste onderdeel een eindoefening met alle hulpdiensten. Daarna moesten we alleen nog de openstellingsvergunning krijgen. Een week na de oefening hebben we daarvoor alle resterende documenten aangeleverd. Samen met de gemeente Hellendoorn en alle andere betrokken partijen hebben we vervolgens een datum voor de opening vastgesteld, rekening houdend met de verschillende stappen van het vergunningverleningstraject, de zomervakantie en nog wat speling voor onverwachte ontwikkelingen. Zo zijn we uitgekomen op 29 augustus 2015. Het in gezamenlijk overleg vaststellen van de openingsdatum vind ik erg belangrijk, omdat je hiermee voorkomt dat er verschillende verwachtingen ontstaan.”

Veranderingen

Terugkijkend op het project ziet Negen duidelijk waar het aan schortte: “De hele krappe planning betekent dat je zeer weinig speelruimte hebt; er hoeft maar iets heel kleins mis te gaan om uit te lopen. Daar komt bij dat er sinds de start van het project nog allerlei grote veranderingen zijn doorgevoerd. Denk aan de invoering van de landelijke tunnelstandaard en extra eisen op het gebied van cybersecurity. Mijn ervaring is dat dit soort wijzigingen bij ICT-projecten dodelijk zijn. Het is een beetje zoals met betonnen constructies. Als je beton hebt gestort, kun je geen wapeningsstaal meer toevoegen. Bij de ontwikkeling van software geldt min of meer hetzelfde. Heb je eenmaal een systeemontwerp vastgesteld en ben je begonnen met het softwareontwerp, dan is het uiterst moeilijk om nog veranderingen door te voeren.”

“Besluit je toch tot wijzigingen, dan moet je heel goed analyseren welke gevolgen die kunnen hebben”, zegt Negen. “Wat zijn bijvoorbeeld de extra risico’s en wat betekenen die voor de planning? In de praktijk wordt zo’n impactanalyse lang niet altijd gemaakt. En als hij wel wordt gemaakt, wordt toch nog vaak vastgehouden aan de oorspronkelijke planning. Voor een deel hangt dat samen met de optimistische blik van ingenieurs. Zij gaan er meestal vanuit ‘dat het ondanks de veranderingen wel zal lukken’. Daarbij verliezen ze uit het oog dat de risico’s ondertussen veel groter zijn geworden. Ik denk dan ook dat we op dat vlak echt kritischer moeten worden en ons minder moeten laten verleiden om vast te blijven houden aan veelal te strakke planningen.”

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

'Verbindingen van A naar B worden meer bekeken vanuit gebiedsontwikkeling'

Rijkswaterstaat verandert. De missie is verbreed. Er staat onder andere: ‘We beheren en ontwikkelen de rijkswegen, -vaarwegen en -wateren en zetten in op een duurzame leefomgeving’. Dat laatste betekent onder meer dat projecten integraler worden aangevlogen. Edwin van der Wel: “Het betrekken van de leefomgeving bij projecten betekent dat we breder kijken naar maatschappelijke waardecreatie.”

“Het streven naar een duurzame leefomgeving maakt onderdeel uit van de missie”, constateert Van der Wel. “Je zag al eerder dat de focus op de drie netwerken – hoofdwegen, hoofdvaarwegen en hoofdwatersystemen – werd verbreed naar de betekenis van die netwerken voor de omgeving. De oprichting van een directie Leefomgeving binnen Rijkswaterstaat in 2013 heeft dat proces versneld. Verbindingen van A naar B worden meer bekeken vanuit het perspectief van gebiedsontwikkeling.”

De huidige missie luidt:

“Rijkswaterstaat is de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. We beheren en ontwikkelen de rijkswegen, -vaarwegen en wateren en zetten in op een duurzame leefomgeving. Samen met anderen werken we aan een land dat beschermd is tegen overstromingen. Waar voldoende groen is, en voldoende en schoon water. En waar je vlot en veilig van A naar B kunt. Samen werken aan een veilig, leefbaar en bereikbaar Nederland. Dat is Rijkswaterstaat.”

Anders werken

“Uitgangspunt is dat alles wat we doen, meerwaarde oplevert voor het gebied waarin we werken. Dat zien we terug in een integrale aanpak, meer samenwerking en de toegenomen bereidheid om van elkaar te leren. De inbreng van Rijkswaterstaat ligt vooral op een andere manier van werken. Bij een project als A13/A16 zie je dat deels al terug. We hebben actief de omgeving opgezocht en hebben samen met buurten en wijken gekeken naar duurzame oplossingen. Het tunnelidee voor dat tracé is uit de omgevingssessies voortgekomen.”

“De nadruk op het meer samen met belangengroepen en burgers ontwikkelen, heeft overigens ook een heel praktische reden. Het bereikbaarheidsfonds dat wordt gevoed met aardgasbaten, houdt in 2028 op te bestaan. Dat lijkt nog ver weg, maar rekening houdend met de doorlooptijd van grote infrastructurele projecten, is dat al ‘overmorgen’. Dus ook vanuit die invalshoek zullen we veel meer met elkaar in gesprek moeten over maatschappelijke meerwaarde.”

“Rijkswaterstaat is de afgelopen jaren een opener organisatie geworden. Meer gericht op samenwerken en samen ontwikkelen. Dat hoeven we intern overigens niet hard te roepen, want het leeft bij de mensen, en de publieke zaak zit bij Rijkswaterstaat-medewerkers in de genen. Het lastige zit in het in de praktijk brengen van brede samenwerking. Het is een leerproces, waarbij we ook andere partijen nodig hebben om dat proces te begeleiden. Platform31 zit van oudsher in die hoek en het COB heeft met de evaluatie van de Sluiskiltunnel laten zien dat het een netwerk is dat het leren goed kan organiseren, kennis kan ontwikkelen en beschikbaar maken.”

Waarde van de ondergrond

Bij alle projecten heeft Rijkswaterstaat met de ondergrond te maken. Geldt de ondergrond met alles wat daarin reeds plaatsvindt, als een randvoorwaarde, of wordt de ondergrond specifiek gezien als kans om meer maatschappelijke waarde te creëren? Edwin van der Wel: “Het is allebei en meer. Te vaak zien we nog dat bodem en ondergrond als randvoorwaarde zijn veronachtzaamd. Tegelijk wordt maatschappelijk een steeds groter beroep gedaan op de ondergrond en wordt het steeds drukker met kabels, leidingen, gaswinning, geothermie, warmte-koudeopslag (WKO) en de drinkwatervoorziening. Voor de Rijkswaterstaat-netwerken en projecten gaat het niet sec om de ondergrond. Maar we hebben natuurlijk wel met de ondergrond te maken omdat die deel uitmaakt van het systeem waarin we werken. Belangrijk is dat je vroegtijdig rekenschap geeft van wat er allemaal speelt, ook in de ondergrond.”

“Als Bodem+ staan we daarnaast voor een duurzame omgang met de bodem en de ondergrond. Het begrip ‘natuurlijk kapitaal’ als randvoorwaarde voor een circulaire economie, zoals dat nu vanuit het beleid naar voren komt, geeft daaraan nieuwe invulling. Gebruik van bodem en ondergrond kan meerwaarde leveren, maar vraagt ook zorg en investering. Of je dat allemaal in geld kunt uitdrukken is de vraag. Je bent er niet met een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Kun je door de ondergrond te gebruiken duurzame waarde toevoegen?”

Van der Wel noemt het onderzoek van zijn afdeling naar warmtenetten in Nederland als voorbeeld. “Het ministerie van IenM heeft ons gevraagd te onderzoeken hoe warmtenetten in de steeds drukkere ondergrond kunnen worden ingepast. We willen daarin als EZ, IenM, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en Rijkswaterstaat samen kunnen optrekken. Als het gaat om energie, heeft het ministerie van Economische Zaken het primaat. Maar de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ondergrondse inpassing ligt bij IenM. Dat begint met het in kaart brengen van algemene kennis die binnen de BV Nederland beschikbaar is, nieuwe kennis ontwikkelen en al die kennis vervolgens ontsluiten. Het resultaat dat van ons gevraagd wordt, is een aanpak waarmee partijen verder kunnen.”

Directie Leefomgeving

Kennis- en uitvoeringstaken op het gebied van milieu en leefomgeving worden sinds 2013 uitgevoerd door de directie Leefomgeving van Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat-medewerkers van de voormalige Waterdienst, afdeling Bodem en Ondergrond én medewerkers van voorheen AgentschapNL, vormen binnen deze directie nu samen Bodem+. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is de belangrijkste opdrachtgever. Daarbij adviseert en ondersteunt de dienst gemeenten en provincies en is hij belast met de uitvoering van een aantal regelingen die betrekking hebben op bodemsanering en bodembescherming..

Afwegen in de praktijk

Eind 2013 verscheen de COB-publicatie Zeven sleutels voor een waardevolle afweging. Een vrij beknopte slotsom van een diepgaand onderzoek naar afwegingsprocessen. Daarom is het ook geen echte slotsom: de sleutels moeten nu naar de praktijk, zodat ze benut, getoetst en bijgeslepen kunnen worden. In Rotterdam en Amsterdam werd het startsein gegeven in de vorm van een masterclass.

Het COB werkt graag in cirkels. Van praktijk naar theorie, en weer terug naar de praktijk. Het project Afwegingskader ondergronds vs. bovengronds bouwen is daar een goed voorbeeld van. Het begon met een constatering in de praktijk: bij ruimtelijke opgaven blijkt het soms lastig om ondergrondse en bovengrondse oplossingen met elkaar te vergelijken, waardoor de afweging wordt bemoeilijkt en het resultaat mogelijk niet optimaal is. Rijkswaterstaat vroeg daarom het COB om samen met het netwerk een afwegingskader te ontwikkelen – een oplossing in de theorie.

Na uitgebreid onderzoek via diverse sporen werd vastgesteld dat het toevoegen van een nieuw kader aan het bestaande instrumentarium niet de oplossing zou zijn. Er werden in plaats daarvan zeven sleutels geformuleerd; tips and tricks die bestuurders en adviseurs kunnen toepassen in hun afwegingsprocessen om deze zorgvuldiger te laten verlopen. Daarmee was het project voor het COB echter niet ten einde, want de sleutels zijn ‘slechts’ woorden. Het toepassen is waar het om gaat, pas dan is de cirkel rond en zijn we terug in de praktijk, waar we bepalen of en hoe we het resultaat gaan verdiepen. Het COB heeft in maart masterclasses georganiseerd om de sleutels voor een zorgvuldige afweging naar de praktijk te brengen.

In de klas

De masterclasses vonden plaats in Rotterdam en Amsterdam, in samenwerking met de ingenieursbureaus van deze gemeenten. Beide keren zat de zaal vol. Er waren deelnemers vanuit provincies, adviesbureaus, de organiserende gemeenten en het ministerie van Infrastructuur enMilieu. De begeleiding was in handen van Bert van Eekelen en Aneta Krikke (twee auteurs van de zeven sleutels), Jantien van den Berg (COB-coördinator en eveneens medeauteur) en Edith Boonsma (communicatie COB).

“Enerzijds was de masterclass bedoeld om de sleutels nog eens helder uiteen te zetten”, vertelt Jantien. “Je hebt vaak niet de tijd om een publicatie rustig door te lezen; een masterclass is een goede gelegenheid om het gedachtegoed tot je nemen en er meteen mee aan de slag te gaan. Dat was het tweede doel: de sleutels vertalen naar de praktijk. Wat kun je ermee in je dagelijkse werk, hoe pas je ze toe, waar moet je op letten? We wilden de deelnemers een veilige omgeving bieden om met de sleutels te experimenteren en met elkaar te oefenen.”

Vingerwijzingen

Jantien werd bij het project betrokken toen er nog gezocht werd naar een afwegingskader. “Bij mij ontstond al snel het gevoel dat we geen kader moesten ontwikkelen, maar inzicht moesten geven in een afwegingsproces. Hier ben ik samen met de betrokken partijen, waaronder Bert van Eekelen, aan gaan werken. We zijn uitgekomen op sleutels die vooral gaan over houding en gedrag. Het zijn dingen die je in achterhoofd kunt houden terwijl je gebruikmaakt van bestaande afwegingsinstrumenten. De arena waarin afwegingen worden gemaakt is de laatste jaren sterk veranderd. Er is meer aandacht voor de stakeholders, mensen hebben meer inspraak. Daar gaan de sleutels op in. De huidige werkwijze in de praktijk, het onderzoekend ontwerpen/ontwerpend onderzoeken, staat centraal in de zeven sleutels – het is de vijfde sleutel om precies te zijn. Sleutels één tot en met vier beschrijven de uitgangspunten en principes die je nodig hebt om die basismethode te kunnen gebruiken. Vervolgens geven sleutels zes en zeven aanbevelingen voor het proces”, aldus Jantien.

Tijdens de masterclass heeft Bert van Eekelen de sleutels uitgebreid toegelicht met voorbeelden. “Dankzij zijn ruime ervaring met afwegingsprocessen kan Bert vrijwel alle inzichten illustreren aan de hand van een waargebeurd verhaal. Dat zijn boeiende kijkjes in de keuken”, zegt Jantien. Zo is er het voorbeeld van Schiphol. Voor de uitbreiding van de luchthaven werd een tijdlang gekeken naar de Noordzee, maar uiteindelijk sneuvelde dat idee. De oorzaak springt niet in het oog: de onderhandelingen liepen vast doordat de uitbreiding op zee tot een te hoge kostenpost voor KLM zou leiden vanwege de grote afstanden die het personeel dan moet afleggen. Jantien: “In de zeven sleutels is zodoende de aanbeveling terug te vinden dat op tijd de juiste partijen bij het afwegingsproces betrokken moeten worden. Hoe vanzelfsprekend dit ook lijkt, in de vaart van een project wordt hier soms aan voorbijgegaan.”

Maar hoe?

De zeven sleutels bevatten veel op het eerste gezicht concrete tips. ‘Zorgvuldig wegschrijven’ is er een, net als ‘De rug recht houden’ en ‘Geef elkaar de ruimte’. Toch komen de meeste deelnemers voor concretisering. Want hoe doe je dat precies, ‘elkaar de ruimte geven’, als je met vier boze partijen aan tafel zit die allemaal wat anders willen? Tijdens de masterclass hebben de deelnemers geoefend aan de hand van echte casussen, zoals het project de Rotterdamsebaan en het Hart van Zuid. Jantien: “Het werken aan een casus vonden de deelnemers waardevol, het gaf hen meer inzicht in het afwegingsproces en in elkaars zienswijzen. In elke groep zaten deelnemers vanuit verschillende disciplines, waardoor er ook verschillende ervaringen op tafel kwamen. Anderzijds bleken de casussen net iets te vaag om goed met de sleutels te kunnen oefenen. Je hebt daarvoor meer kennis nodig van de inhoud en de context van de projecten. Bij een volgende masterclass zal de briefing dus uitgebreider moeten, of er moet iemand aanschuiven vanuit het voorbeeldproject.”

Vervolg

Dat er een volgende masterclass komt, staat inmiddels vast. “In Rotterdam was de gemeente na afloop erg enthousiast”, vertelt Jantien. “We kijken nu hoe we samen een aantal materclasses specifiek voor hen kunnen organiseren. Rotterdam ziet de masterclass vooral als middel om gemeentelijke afdelingen bij elkaar te brengen. De ruimtelijk ordenaars werken vaak al bewust of onbewust volgens de zeven sleutels; de masterclass maakt hun werk inzichtelijk voor henzelf en voor anderen binnen de gemeente. Door met elkaar in de masterclass aan de slag te gaan, creëer je eenzelfde taal en kun je gelijk oefenen. Dan zie je dat er in een vroegtijdig stadium vraagstukken bovenkomen die je anders pas laat in het proces tegenkomt. En dat kan belangrijk zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de trend waarbij de gemeente initiatief van de markt vraagt en deze met open armen ontvangt en faciliteert. Zo’n aanpak heeft grote consequenties voor het beheer en onderhoud als er andere keuze voor de openbare ruimte worden gemaakt dan afgesproken binnen de gemeente. Welke afwegingen maak je? Discussievoeren over dergelijke afdelingsoverstijgende onderwerpen bevordert de ketenintegratie.”

Dit was de Onderbreking Waardering

Bekijk een ander koffietafelboek: