Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.
De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.
Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)
De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.
Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.
Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.
De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.
Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.
Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.
De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.
“Als kersverse directeur van het COB ben ik me er dagelijks van bewust dat ik werk ten dienste van ons netwerk. De bijna 75 organisaties die participant zijn van het COB bepalen onze agenda en het is mijn rol om al die meningen en visies te verenigen in programma’s, projecten en platforms waar mensen graag aan meewerken.
Dat is voor mij de kern van het COB: echte experts verenigen, mensen met vakkennis, mensen die de problemen van ondergronds bouwen dagelijks ervaren en die supertrots zijn op de mooie dingen die ze bouwen, beheren en onderhouden. Allemaal vakidioten die elkaar de tent uit kunnen vechten tijdens een tender, maar bij ons gebroederlijk en gezusterlijk aan de slag gaan als de opgave maar boeiend genoeg is en hen raakt.
Dat we binnen het tunnelprogramma de verbinding met praktijkprojecten weer helemaal terug hebben, is voor mij persoonlijk de grootste winst van de afgelopen jaren. Resultaten van expertteams en onderzoek moeten in logische, kleine stapjes meteen in de praktijk worden toegepast. Iedere tunnel een beetje beter, en zo met elkaar grote stappen maken. Dat civiele techniek weer helemaal op de kaart staat, maar de digitalisering en installaties ook, maakt me blij en trots.
Zo’n zelfde ontwikkeling wil ik bereiken op het gebied van kabels en leidingen. Ook daar zijn de opgaven groot en complex en geloof ik in de kracht van de mensen in ons netwerk. Weten waar je naar toe wilt en heel gedreven met kleine stapjes grote veranderingen bewerkstelligen, dat is ook voor dit werkveld mijn missie voor de komende periode.
Als laatste speerpunt gaan we in alle vakgebieden ‘waarde’ benadrukken. Al dat geld dat wordt uitgegeven aan bouwen, beheren en onderhouden in de ondergrondse ruimte is maatschappelijk gemakkelijker te verantwoorden als we meer waarde toevoegen. Mag het bij een renovatie meteen een onsje duurzamer, veiliger, mooier, slimmer en multifunctioneler? Mag nieuwbouw toekomstbestendiger worden? Hoe veranderen wij zelf van objectdenkers naar systeemdenkers?
Genoeg te puzzelen dus, voor nu en nog vele jaren. Ik heb er zin in!”
Sinds 1 april 2019 is Karin de Haas directeur van het COB. Ze was al acht jaar aan het COB verbonden in het veld van kennis, communicatie en strategie. Het opzetten en managen van het tunnelprogramma was de laatste jaren haar primaire taak en dit blijft haar verantwoordelijkheid. Eerder werkte Karin onder meer voor Delft Cluster, het Ministerie van IenW, Deltares (toen GeoDelft) , TU Delft en Geo-Impuls.
Links Wouter Boonzaaijer, rechts Louis van der Hoeven. (Foto: Vincent Basler)
‘Het venijn zit in de start, niet in de staart’: een van de lessen die is opgedaan tijdens de samenwerking binnen het convenant Samenwerken in de buitenruimte. De gemeente Rotterdam, Evides en Stedin sloten het convenant voor onderhoudsprojecten voor riolering, kabels en leidingen in de ondergrond eind 2015. De kostenreductie kan oplopen tot twintig procent, en drie tot vijf maanden uitvoeringswinst is mogelijk.
Het is steeds vanzelfsprekender geworden om onderhoudsprojecten, waarvan er veertig ingepland zijn, vanuit een gezamenlijke doel aan te pakken: hinder beperken en kosten reduceren. Het ‘voorkomen van gedoe’ kan tot wel twintig procent reductie van uitvoeringskosten leiden, onder andere doordat aannemers niet onnodig op elkaar hoeven te wachten. Snellere, effectievere uitvoering leidt tot minder hinder voor omwonenden. Bovendien is een van de convenantafspraken dat er na afronding van een project vijf jaar graafrust geldt.
Het convenant werd gesloten met het oog op het toekomstbestendig maken van het energie-, drinkwater-, gas- en rioleringsnetwerk in Rotterdam. Er was nog geen sprake van ‘aardgasloos’, maar duidelijk was wel dat er een flinke vervangingsoperatie aankwam. Louis van der Hoeven, procesadviseur van het convenant: “We weten dat we als Stedin jaarlijks 120 kilometer aan verouderde gasleidingen (waarvan 40-50 kilometer in Rotterdam) door kunststof moeten vervangen. In het kader van dat project was ik al bezig om tot afstemming te komen met gemeenten en waterbedrijven. Dat leidde tot goede ervaringen en de wens om structureel samen te werken. Zo ben ik in de voorfase bij het convenant betrokken geraakt.”
De gemeente Rotterdam stond voor een soortgelijke uitdaging met een jaarlijkse vervangingsopgave van veertig kilometer riool. Wouter Boonzaaijer: “Willen we onze vervangingsopgaven goed doen, dan is een goede en vergaande samenwerking essentieel. Het convenant zorgt ervoor dat we eerder samen aan tafel zitten en niet pas op straat met elkaar de problemen oplossen. Dat is gelukt. Nu ligt er de uitdaging om deze werkwijze te verbreden naar alle projecten in de stad.”
“We zijn begonnen met het delen van de uitvoeringsplanningen”, vertelt Wouter Boonzaaijer. “Samen uitvoeren was op dat moment nog een stap te ver. Op basis van de onderhoudsbehoefte komen we tot gezamenlijke projecten. In de praktijk geeft de samenwerking druk op de ketel om tot meerjarige onderhoudsprogramma’s te komen. Als de vervangingsvraag bekend is, kun je afspraken maken over de uitvoering.”
Wouter Boonzaaijer vervolgt: “Gelukkig kwam ik Louis tegen: hij had veel ervaring met de uitvoering van projecten. We vullen elkaar aan. Ik werk bij de gemeente Rotterdam, maar ik word als onafhankelijk intermediair betaald door de drie partijen. Louis is in dienst van Stedin, maar ook dat maakt in de praktijk niet uit. We hebben hetzelfde doel.”
Om tot gezamenlijke uitvoering van projecten te komen, moest onder andere overeenstemming worden bereikt over de aanbesteding. De gemeente Rotterdam werkte met RAW-aanbestedingen per project, terwijl Evides en Stedin gewend waren met raamcontracten te werken. Gezamenlijk is men tot vijf contractvarianten gekomen, variërend van conventioneel (ieder voor zich) tot gezamenlijke bestekvorming, aanbesteding en gunning.
“De samenwerking wordt gekenmerkt door ‘learning by doing’, stelt Wouter Boonzaaijer. “We durven uit te proberen en we evalueren ook goed. Dat is de kracht. De samenwerking begint met planning en afstemming, drie tot vijf jaar vooruit. Dat betekent dat je in het hele proces, van planning tot oplevering, samenwerkt. Daarbij gaat het soms om grote projecten die in fases worden uitgevoerd, maar in totaal wel tien jaar kunnen beslaan. Dan kom je op steeds meer terreinen tot samenwerking, bijvoorbeeld om de in- en externe communicatie te verbeteren.” Louis van der Hoeven: “We hebben drie projecten gebruikt als pilot, waarbij we de bevindingen per fase steeds hebben geïntegreerd in het volgende project. De grootste opgave daarbij was om nieuwe collega’s steeds weer bij te praten en mee te nemen in de nieuwe werkwijze. Het venijn zit in de start, niet in de staart.”
Een van de eerste projecten waarin ervaring werd opgedaan, is de rioolvernieuwing bij de Schiedamsevest in het centrum van Rotterdam. Kennispartner BouwTV maakte een aflevering over dit pilotproject.
>> Lees ook ‘Virtueel dienstbaar aan de fysieke stad’
Naast de kwalitatieve resultaten, wordt geprobeerd om de resultaten in tijd en kosten te kwantificeren. Twee projecten zijn inmiddels zover afgerond dat een volledige kostendoorrekening mogelijk is. Wouter Boonzaaijer: “Zo door de oogharen heen denk ik dat de kostenreductie kan oplopen tot twintig procent, en dat drie tot vijf maanden uitvoeringswinst mogelijk is. Maar we hebben nu nog niet voldoende ervaringscijfers om dat voordeel al op voorhand te kunnen inboeken. Verder zien we als positief resultaat dat partijen elkaar ook bij andere projecten gemakkelijk weten te vinden en bijvoorbeeld calamiteiten makkelijker kunnen oplossen.”
Louis van der Hoeven: “We hebben in Hoogvliet met een calamiteit te maken gehad, terwijl we al in de voorfase van het onderhoudstraject zaten. We zagen dat we daar direct samen konden optrekken, omdat de bruggen al waren gebouwd. Bovendien gaan we nu een volledig RAW-bestek maken, omdat verschillende contractvormen niet handig bleken te zijn. Op deze manier kunnen we efficiënt en eenduidig projecten op de markt gaan zetten.”
Partijen weten elkaar ook bij andere projecten gemakkelijk te vinden en kunnen bijvoorbeeld calamiteiten makkelijker oplossen.
Louis van der Hoeven: “In het kader van de energietransitie komt er veel op ons af. Het convenant kan helpen ook warmtepartijen mee te nemen in de afstemming die daarvoor nodig is.” Wouter Boonzaaijer: “We zijn nu bezig op lange termijn de kaarten van alle projecten, programma’s en beleidsplannen over elkaar heen te leggen. Zo kunnen we zien wat waar staat te gebeuren en in welke periode dat het meest effectief kan plaatsvinden. Dat doen we bijvoorbeeld ook met woningbouwcorporaties en VVE’s, vanuit hetzelfde principe als het convenant. Samen onderzoeken we welke variant tot de laagste maatschappelijke kosten leidt en vervolgens maken we afspraken over de verdeling. Die gedachte biedt ook input voor de opgave voor de energietransitie. We hebben de convenantstuurgroep in dat kader al uitgedaagd: ‘Zouden er niet meer partijen tot het convenant moeten toetreden?’ Het nieuwe collegeprogramma ‘Nieuwe energie voor Rotterdam’ maakt het belang van afstemming in de ondergrond alleen maar groter.”
Stedin trekt elders in het verzorgingsgebied waar mogelijk ook op met andere waterbedrijven. En zowel Stedin als Evides, die allebei een groter verzorgingsgebied hebben dan de gemeente Rotterdam, gebruiken de ervaringen met het convenant om ook met andere gemeenten afspraken te maken. Wouter Boonzaaijer: “Dordrecht heeft gebeld en is heel erg geïnteresseerd in onze aanpak. Dat geldt ook voor Delft. En het Havenbedrijf Rotterdam heeft aangegeven te willen meeliften op het convenant voor een project in de Waalhaven.”
Liander gebruikte al een prototype om huisaansluitingen in beeld te brengen. Gasunie vervangt er fysieke proefsleuven mee door virtuele. Met behulp van automatische objectherkenning kan de nieuwe grondradartechnologie van Gasunie en MapXact (VolkerWessels Telecom) informatie direct én begrijpelijk voor iedereen omzetten naar een tablet of computerscherm. De verwachting is dat de nieuwe grondradartechnologie in oktober 2019 breed beschikbaar zal zijn.
‘Begrijpelijke 3D-plaatjes van de ondergrond’, dat was in 2016 al het doel van een prijsvraag die werd uitgezet in het kader van het Gasunie Network Improvement Program (GNIP). Door een systeem te ontwikkelen dat niet alleen door specialisten kan worden uitgelezen, moest het gebruik van grondradar laagdrempelig worden. Wim van Grunderbeek, projectleider Detectiesysteem voor ondergrondse infrastructuur bij Gasunie, in 2016: “Gasunie zoekt een detectiesysteem dat nauwkeuriger is dan wat er nu op de markt is; een systeem dat op de x-, y- en z-as binnen de vijf centimeter nauwkeurig is, en dat bij voorkeur achter in een busje past, zodat er overal op locatie gemakkelijk mee gewerkt kan worden. We gaan uit van duizenden onderhoudsactiviteiten in de ondergrond. Dat zou betekenen dat we op basis van de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) tienduizenden proefsleuven moeten graven, met alle veiligheidsrisico’s van dien. Als we het aantal graafbewegingen met vijfenzeventig procent kunnen reduceren, kunnen we het veiligheidsrisico enorm beperken. En passend in het MVO-beleid van Gasunie beperken we tegelijkertijd de overlast voor de omgeving en laten we minder sporen achter.”
Die techniek lijkt er nu te zijn. Start-up MapXact (onderdeel van VolkerWessels Telecom) won de prijsvraag en heeft het concept verder uitgewerkt. Het resultaat is wat Wim van Grunderbeek gekscherend ‘grondradar voor dummies’ noemt. Uitgangspunt is dat iedereen ermee kan werken, ook zonder een speciale opleiding. Niet alleen in het veld, maar ook verderop in de organisaties van grondroerders, waar de verkregen informatie direct gekoppeld kan worden aan het eigen GIS-systeem. “Binnen Gasunie is inmiddels al een decreet uitgegaan”, zegt Wim van Grunderbeek. “Waar gegraven wordt, wordt eerst gescand. Zo kunnen we gaandeweg alle grondradarscans in onze GIS-systemen verwerken. We kunnen de verschillende kaartlagen over elkaar leggen en hebben ook voor de toekomst beter zicht op wat er in de ondergrond ligt.”
Wim van Grunderbeek is tot het najaar van 2019 vrijgemaakt om het project te begeleiden en de belangen van Gasunie te waarborgen. Met de grondradartechnologie van MapXact is het mogelijk twee tot drie meter in de ondergrond te kijken. De detectie van kabels en leidingen is gebaseerd op een serie puntmeldingen. Doordat een kabel of leiding steeds hetzelfde radarbeeld geeft, is het mogelijk de meetpunten aan elkaar te verbinden en de ligging te bepalen. Zo kunnen signalen van kabels en leidingen onderscheiden worden van losse objecten in de ondergrond. De ontwikkelde software zoekt gelijke echo’s van de grondradar bij elkaar en verbindt deze. Wim van Grunderbeek: “Automatische objectherkenning zorgt ervoor dat we niet alleen weten waar iets ligt, maar ook wat het is. Het plaatje van de meting leggen we over dat van de Klic-melding. We hebben de x-,y- en z-coördinaten, kunnen het materiaal toewijzen en kunnen – nu nog met zo’n dertig procent speling – de diameter aangeven. Voor we de nieuwe grondradar kunnen introduceren, werken we nog aan verbetering van de software en het ontwerp van het apparaat en aan het toevoegen van augmented reality. Dat laatste betekent dat men op een tablet de gedetecteerde kabels en leidingen geprojecteerd ziet in het beeld van de bovengrond.”
De afhankelijkheid van een stabiel gps-signaal levert in de praktijk soms problemen op. In stedelijk gebied, tussen hoge gebouwen, is de gps-ontvangst niet altijd gegarandeerd. Op het moment dat de verbinding wegvalt, kunnen de detectiegegevens dan niet gekoppeld worden aan de Klic-melding en de gps-coördinaten. Daarvoor heeft MapXact een doeltreffende mechanische oplossing gevonden. Er is een zogeheten wheel positioning system ontwikkeld. Als de internetverbinding wegvalt, rekent het systeem op basis van het aantal omwentelingen van de wielen terug naar de laatstbekende coördinaten.
De nieuwe technologie moet leiden tot minder graafschade. Naast dit algemene belang heeft Gasunie ook een eigen belang. Wim van Grunderbeek: “Het is belangrijk dat de BV Nederland er beter van wordt. Dit is grondradar voor dummies: iedereen kan ermee werken. Als we hiermee kunnen bereiken dat het aantal graafschades elk jaar met vijf procent daalt, zou dat geweldig zijn. Voor Gasunie betekent deze techniek dat we minder proefsleuven hoeven te graven. Dat is veiliger. En we besparen kosten. Gasunie heeft ongeveer dertienduizend kilometer pijpleiding in Nederland. Regelmatig moet er voor onderhoud gegraven worden en worden er vooraf proefsleuven gegraven. Een proefsleuf kost duizenden euro’s. Met virtuele proefsleuven kunnen we dus flink besparen.”
Onderdelen van het regionale gastransportnet van Gasunie naderen het einde van hun technische levensduur. In heel Nederland gaat het om 2.800 afsluiterlocaties, 80 meet- en regelstations en 1.000 gasontvangstations. De afsluiterlocaties worden doorgaans compleet vervangen. (Foto: afsluiterlocatie Noord-Holland/Gasunie)
Ondanks internationale erkenning voor de grondradar van MapXact in de vorm van de Industry Choice Award (zie kader) ontmoet Wim van Grunderbeek in Nederland nog veel scepsis. Hij is niettemin positief. “We zien toenemende belangstelling vanuit aannemers en netwerkbeheerders zoals Liander.
Grondradartechnologie werkt het beste in zandgrond. In klei – en zeker zoute, natte klei – kan een grondradar minder diep ‘kijken’. Het verder perfectioneren van de nieuwe technologie voor verschillende grondsoorten is dan ook een van de aspecten waaraan Gasunie en MapXact de komende maanden nog willen werken. Maar er is meer nodig voordat in oktober 2019 een succesvolle introductie kan plaatsvinden. Wim van Grunderbeek: “We gaan wat we zien, steeds beter begrijpen. Dat betekent dat de speling die we nu nog hebben ten aanzien van de diameter, verder omlaag kan. En op termijn kunnen we met behulp van kunstmatige intelligentie werken aan zelflerende herkenningstechniek, waardoor de resultaten steeds nauwkeuriger worden. Verder biedt het nieuwe 5G-telecomnetwerk nieuwe mogelijkheden. Het verwerken van de informatie gebeurt nu nog op het stuur van de grondradar. Dat kan sneller door in de cloud te werken. We beschikken dan over een soort ontwikkelcentrale waar data opgeslagen en gecombineerd kunnen worden.
Regie houden, inleven in de belangen van anderen en transparantie in de communicatie. Het zijn de drie belangrijkste ingrediënten geweest in de succesvolle conditioneringsfase van de Rotterdamsebaan in Den Haag. Projectleider inpassing Binckhorst en Conditionering Henk Hogenbirk: “We hebben veel hindernissen moeten overwinnen, maar de operatie is binnen planning en budget uitgevoerd.”
Voor de Rotterdamsebaan, de nieuwe aansluiting van de A4/A13 op de Centrumring van Den Haag, waar de Victory Boogie Woogietunnel deel van gaat uitmaken, moest bijna vier kilometer aan kabel- en leidingtracés verlegd worden. Vijftien telecomaanbieders moesten in totaal vijftig kilometer glasvezelkabel en tien kilometer koperkabel verleggen. Henk Hogenbirk was de man die namens Ingenieursbureau Den Haag de touwtjes in handen had. Een logische keuze, omdat Ingenieursbureau Den Haag kennis heeft van de lokale omstandigheden en goed zicht heeft op de gewenste eindsituatie.
Het grote aantal betrokken partijen op een lijn krijgen, bleek de grootste uitdaging. Het waren er twintig, die aanvankelijk niet eens in een vergaderzaal pasten. TenneT en Gasunie hebben hun eigen verleggingen in de markt gezet. Stedin en Dunea werkten samen met een aannemer. Met de telecomaanbieders werd uiteindelijk overeenstemming bereikt over één aannemer voor de centrale infrastructuur. Van een zaal vol partijen bleef zo nog een handvol over. Henk Hogenbirk: “Met name het aantal van vijftien telecomaanbieders was een probleem. Al die aanbieders hebben hun eigen wereld met hun eigen netwerk en hun eigen uitvoerende partners. Het is voor hen van levensbelang dat alles blijft werken. Voorwaarde voor de telecomaanbieders is dat er geen andere partijen aan hun netwerk komen. Daarbij komt dat zij veel hebben geïnvesteerd in hun netwerken en de kosten voor het verleggen volgens de Telecomwet altijd voor rekening van de eigenaar zijn.”
Voordat alle telecompartijen in de samenwerkingsmodus stonden, moest er heel wat gebeuren. Er was bijvoorbeeld onbegrip over het uitnodigen van alle betrokken partijen in een stadium dat er nog geen uitvraag was. Henk: “Het is in een project van deze omvang onontkoombaar dat het lang duurt. Je kunt niet wachten met overleg tot er een definitief ontwerp ligt. Je moet heel vroeg in het proces met elkaar in gesprek gaan, en je weet dat je pas echt aan het werk kunt gaan als er een definitief besluit is. Dan komt het vliegwiel op gang en resteert weinig tijd om alle conditioneringswerkzaamheden uit te voeren. Je moet gewoon op tijd beginnen.”
In de periode 2014-2016 zijn kabels, leidingen en riolering in de Binckhorst verlegd. (Foto: Peter van Oosterhout)
Nieuwe tracés voor kabels en leidingen betekenden dat de zorgen over de beschikbaarheid van de netwerken konden worden weggenomen. De nieuwe infrastructuur kon immers worden aangelegd zonder de oude te verstoren. Om te voorkomen dat twintig partijen ieder voor zich zouden gaan werken, werd besloten dat een aannemer voor gas, water en elektriciteit (fa. Baas) en een telecomaannemer alle verlegwerkzaamheden zouden uitvoeren.
“Voor de telecom hebben hiervoor de grootste speler met bijbehorende aannemer gekozen. Dat bleken KPN en BAM Telecom te zijn”, vertelt Henk. “Sleuven aanbrengen in tracés moet je gezamenlijk doen. Anders wordt het een zeer langdurig traject en kan er van alles verkeerd gaan. Doorslaggevend voor de telecomaanbieders was dat we met een gezamenlijke aanpak met zekerheid op de goede diepte zouden werken en er geen risico’s zouden ontstaan voor de netzekerheid. Het kostte vervolgens wel maanden voordat er overeenstemming was over de verrekening van de kosten. Vanaf dat moment ging het vrij soepel. Na de centrale aanleg van de tracés is het inblazen en lassen wel door de eigen aannemers van de telecomaanbieders gedaan. De lasgaten hebben anderhalve maand opengelegen, zodat alle telecomaanbieders stuk voor stuk hun werk konden doen. Maar door de centrale aanpak van de infrastructuur was de planning behapbaar, bleef het aantal lasgaten beperkt, en daarmee ook de overlast voor de omgeving.”
“Het steeds weer motiveren van alle betrokken partijen is missionarissenwerk. Ondergrondse infrastructuur is nu eenmaal een lastig onderwerp. Er is maar een ding dat je zeker weet, en dat is dat elke verandering in de plannen impact heeft op de ondergrond. Onzekerheden zijn een gegeven. Het gaat zoals het gaat. Je moet vanaf het allereerste begin pragmatisch werken om een project als dit voor elkaar te krijgen. Ik vraag diezelfde instelling ook van anderen. Daarbij zorg ik er tegelijkertijd voor dat ik weet wat de verplichtingen en belangen van de betrokken partijen zijn, en dat ik altijd eerlijk ben over wat de verwachtingen zijn.”
“We hebben al met al heel wat weerstand moeten overwinnen”, concludeert Henk. “De telecomaanbieders waren bang voor een gefaseerde aanleg met veel onderbrekingen en dus extra kosten. Doordat wij vanuit de projectorganisatie Rotterdamsebaan de regie voerden, konden we het aantal fases beperken. Achteraf kunnen we concluderen dat de betrokken partijen de werkwijze prettig vonden, maar men bleef moeite houden met de lange duur van het proces. Maar ook achteraf zeg ik dat we de tijd echt nodig hadden. Bij een volgend project zou ik het precies zo doen. Je kunt nu eenmaal niet wachten met afstemmen tot er een definitief ontwerp ligt.”
Over een afstand van liefst een kilometer en tot vijfendertig meter diep onder de grond is met een gestuurde boring ruimte gemaakt voor nieuwe kabels. (Foto: Jurriaan Brobbel)
De gemeente Den Haag werkt aan een nieuwe verbindingsweg tussen knooppunt Ypenburg (A4/A13) en de Centrumring: de Rotterdamsebaan. Deze weg wordt 3,8 kilometer lang en doorkruist het grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Rijswijk en Den Haag. Onderdeel is een geboorde tunnel, de Victory Boogie Woogietunnel, die tweemaal twee rijstroken krijgt en ongeveer 1.860 meter lang wordt.
De Utrechtsebaan is de belangrijkste toegangsweg van Den Haag. Van het verkeer dat de stad dagelijks in- en uitgaat, rijdt veertig procent via deze weg. Dat leidt elke dag tot files die zich vaak uitbreiden naar de omringende snelwegen zoals de A12, A13 en A4. De aangrenzende woonwijken hebben veel last van sluipverkeer. De nieuwe Rotterdamsebaan zorgt ervoor dat de druk op de Utrechtsebaan afneemt en het verkeer zich beter verdeelt. Met de nieuwe weg krijgt het verkeer van en naar Rotterdam, Delft en Ypenburg een alternatief.
De Rotterdamsebaan loopt van het knooppunt Ypenburg richting het noorden, kruist met een tunnel het groene gebied de Vlietzone, het water de Vliet en de woonwijk Voorburg-West en komt uit op de Binckhorstlaan. Daar sluit de nieuwe weg bij de Neherkade direct aan op de Centrumring. Het tracé komt grotendeels overeen met de ligging van de tweede toegangsweg die architect Dudok – die na de Tweede Wereldoorlog de leiding had over de wederopbouw van Den Haag – in zijn plannen had opgenomen. De inpassing van de nieuwe verbindingsweg was een complexe opgave. Uiteindelijk heeft de inspraakprocedure ertoe geleid dat het ondergrondse deel van het tracé driehonderd meter langer wordt dan technisch gezien noodzakelijk is. Met de verlenging is de gemeente tegemoetgekomen aan bezwaren van omwonenden en andere belanghebbenden.
Artist impression van de skyline vanuit de Vlietzone. Op het dak van de tunnel zijn de geplande zonnepanelen te zien. (Beeld: Rotterdamsebaan)
De tunnel, die Victory Boogie Woogietunnel gaat heten, wordt geboord. Hiervoor maakt de aannemerscombinatie (zie rechts) gebruik van de tunnelboormachine waarmee eerder de Sluiskiltunnel is aangelegd. De tunnel wordt 1.860 meter lang, waarbij het geboorde deel een lengte heeft van circa 1.640 meter. De twee tunnelbuizen komen op ongeveer vier meter van elkaar te liggen, krijgen een diameter van ruim tien meter en liggen op het diepste punt 29 meter onder de grond. In iedere buis komen twee rijstroken en tussen de buizen komt om de 250 meter een dwarsverbinding.
De Rotterdamsebaan moet hét voorbeeld van duurzame infrastructuur in Nederland worden. De Combinatie Rotterdamsebaan heeft in het ontwerp veel aandacht besteed aan de verschillende duurzaamheidsaspecten, zoals vormgeving en inpassing in het landschap, luchtkwaliteit en energiegebruik. Een goed voorbeeld is de tunnelmond in de Vlietzone. Hier komt over het dienstgebouw en de tunnelmond een grote overkapping die bestaat uit zonnepanelen. De elektriciteit die hiermee wordt opgewekt, zal worden gebruikt in het dienstgebouw. Een ander voorbeeld is het fine dust reduction system, een systeem waarmee vijftig procent van het fijnstof bij de tunnelmonden wordt afgevangen.
In 2014 is de gemeente gestart met het bouwrijp maken van het tracé en in 2015 is een aantal wegen in de Binckhorst opnieuw ingericht. Eind 2015 is de aanbesteding afgerond en is de opdracht, in de vorm van een design-, built- en maintenancecontract met vijftien jaar onderhoud, gegund aan de Combinatie Rotterdamsebaan. In 2016 heeft de gemeente de laatste voorbereidende werkzaamheden afgerond, waarna de aannemerscombinatie van start kon met het inrichten van de werkterreinen in de Vlietzone, de Binckhorst en het knooppunt Ypenburg.
Het boren van de Victory Boogie Woogietunnel startte half januari 2018. Vanuit de startschacht op het werkterrein in de Vlietzone graaft tunnelboormachine Catharina-Amalia haar weg naar de Binckhorst. Naar verwachting komt ze daar in juni 2018 aan. Vervolgens wordt de machine gedemonteerd en teruggebracht naar de Vlietzone. Nadat de machine weer is opgebouwd, start het boren van de tweede tunnelbuis. De opening van de Rotterdamsebaan staat gepland voor 1 juli 2020.
Om onder de grond alvast ruimte te maken voor de tunnel van de Rotterdamsebaan, moesten grote stroomkabels verlegd worden. De gemeente Den Haag maakte een video over deze indrukwekkende klus. Over een afstand van liefst een kilometer werd tot vijfendertig meter diep onder de grond een gestuurde boring uitgevoerd.
Het Flexival was het toneel van een klein feestje. De provincie Zuid-Holland en zeven netbeheerders ondertekenden het Uitvoeringsprotocol kabels en leidingen provincie Zuid-Holland 2019, dat verlegging van kabels en leidingen soepeler moet laten verlopen. Met dit voorbeeld in de hand kunnen andere provincies, maar ook gemeenten en waterschappen, veel sneller tot een werkbare modus komen.
De ondertekening tijdens het Flexival was meer dan symbolisch. Dunea, Evides, Oasen, Stedin, Velin, Liander, Westland Infra en de provincie Zuid-Holland bekrachtigden op deze manier dat samenwerken in de wereld van kabels en leidingen oplossingen kan bieden. Zo werd de noodzaak tot samenwerking die voortdurend ter sprake kwam op het Flexival, door deze partijen ter plaatse ingevuld.
Met het uitvoeringsprotocol (UP) willen de betrokken partijen het verleggingsproces versoepelen en mogelijke risico’s rond uitval van nutsvoorzieningen beperken. Daarnaast heeft de provincie haar regeling voor nadeelcompensatie bij verlegging van kabels en leidingen aan de hand van een evaluatie met de netbeheerders herzien. Alle in Zuid-Holland actieve netbeheerders van nutsvoorzieningen zijn bij het project betrokken. Vanwege het afwijkende wettelijke kader voor telecombedrijven wil de provincie aansluitend een apart UP Telecom afsluiten. Het op 12 april 2019 ondertekende UP omvat een zorgvuldige beschrijving van alle processtappen om het projectmatig werken bij de partijen te synchroniseren. Belangrijker nog is de intentie om geschillen te voorkomen en zo de verlegging als toprisico te elimineren. Voor de netbeheerders is belangrijk dat is overeengekomen om het verleggen van kabels en leidingen zo veel als mogelijk te voorkomen door vroegtijdige betrokkenheid. Voor zowel provincie als netbeheerders geldt dat samenwerking op tactisch en strategisch niveau de volgende stap is.
Ondertekening van het uitvoeringsprotocol op het Flexival. Van links naar rechts: Paul Langereis (Westland Infra), Hugo Pauw (Velin), Renée Lameijer (provincie Zuid-Holland), Gita Hoogeveen (Stedin), Arno Bindt (Evides), Eric van Can (Dunea), Marco Diekstra (Liander), Floor Vermeulen (provincie Zuid-Holland), Eelco Verduin (Oasen). Foto: Vincent Basler
Dat de mijlpaal echt het vieren waard was, bleek uit de toelichting die Renée Lameijer, bestuurlijk-juridisch adviseur Infrastructuur van de provincie, en Eric van Can, procesmanager Projecten bij netbeheerder Dunea, tijdens een parallelsessie verzorgden.
De basis voor het UP werd al in 2010 gelegd, zo vertelde Eric van Can. In dat jaar introduceerde de provincie een nieuwe nadeelcompensatieregeling die niet goed viel bij de netbeheerders. Eric van Can: “Het leidde tot veel gedoe en escalaties. Verleggingen werden als gevolg daarvan door de provincie als groot risico gezien. De provincie heeft in 2013 het initiatief genomen om te gaan koffiedrinken bij de netbeheerders. Dat is door de netbeheerders als een oprechte uitnodiging ervaren om tot een werkbare situatie te komen. Het heeft geleid tot het Strategisch overlegplatform kabels en leidingen (SOP), met als doel te komen tot vroegtijdige afstemming van de planvorming, een uitvoeringsprotocol en een nieuwe nadeelcompensatieregeling (NKL). Het feit dat we daar zeven jaar over hebben gedaan, geeft aan hoe complex de materie is. De eerste stap is herstel van vertrouwen. Je moet eerst iedereen ruimte bieden om de frustratie van zich af te praten.”
Renée Lameijer: “Afgesproken is dat we functionele, ruimtelijke en financiële knelpunten met elkaar delen en in gezamenlijkheid oplossen. Een ‘Verzoek tot aanpassingen’ (VTA) ontvangen is voor een netbeheerder niet leuk. Maar als het dan zover is, kun je wel samen het proces in om tot een zo goed mogelijke oplossing te komen. Er zijn belangen die per definitie niet met elkaar overeen kunnen komen. Desondanks kun je wel met elkaar verder. Dat heeft geleid tot een onderhandelingsresultaat waarbij is vastgelegd dat het model van het Interprovinciaal overleg (IPO) geldt voor het vergoedingenregime voor kruisende leidingen en dat terughoudend wordt omgegaan met verlegging van bijzondere leidingen. Bijzondere leidingen hebben we gedefinieerd als leidingen waarbij de verlegkosten meer dan een miljoen euro bedragen en enkele specifieke vitale drinkwaterleidingen (‘de slagaders’). Deze zijn ook op kaarten vastgelegd. Verder is afgesproken dat bij een onderliggend commercieel belang – zoals bij een gemeente de ontwikkeling van een woonwijk door een vastgoedontwikkelaar – anders met de NKL kan worden omgegaan.”
“De nieuwe verlegregeling, conform het IPO-model, is per februari 2019 in werking getreden. Dat was een logische stap en is reëler voor de netbeheerders. Bij kruisende leidingen is de toestemmingsdatum voor de kabel of leiding niet langer bepalend voor de vergoeding. We hebben laten doorrekenen dat de extra kosten voor de provincie als gevolg van dit model, afhankelijk van de programmering, naar verwachting twee ton per jaar bedragen. Op basis van die doorrekening zijn de bestuurders overstag gegaan. Tegenover die extra kosten staat een betere samenwerking die leidt tot soepelere projecten zonder juridisch gedoe en bijbehorende vertragingen.”
Na zeven jaar is de conclusie dat de partijen dichter bij elkaar zijn gekomen en dat opschalen van de samenwerking naar tactisch en strategisch niveau gemakkelijker wordt. Zuid-Holland wil het UP onder de aandacht brengen in het provinciaal overleg. De provincie Noord-Holland heeft al interesse getoond voor de aanpak. Eric van Can: “Er hebben zich inmiddels ook gemeenten gemeld die ook door middel van een gezamenlijk opgesteld uitvoeringsprotocol willen komen tot betere samenwerking bij verleggingen.”
Herontwikkelingsgebied De Nieuwe Stad in Amersfoort beschikt over een eigen ondergronds warmtenet. De vijfentachtig gebruikers van de terreinen en opstallen van de voormalige Prodentfabriek vormen samen een zo veel mogelijk zelfvoorzienende micro-stad, waarvan een eigen biomassacentrale deel uitmaakt. Ontwikkelend belegger Schipper Bosch beheert het ruim twee hectare grote gebied vanuit een overkoepelende duurzaamheidsvisie.
In drie jaar tijd is de Prodentfabriek getransformeerd tot een nieuw stadsdeel met ruimte om te werken, leren en verblijven; een levendige plek met festivals, een poppodium, een restaurant, gedeelde moestuinbakken en een sterke lokale gemeenschap. De bewoners vormen een mix van grote en kleine bedrijven, afkomstig uit verschillende sectoren, variërend van zakelijke dienstverlening en onderwijs tot horeca en cultuur. De huurprijzen zijn marktconform. De brede mix van activiteiten en het streven om fossiele energiebronnen geheel uit het gebied te bannen, hebben een sterke aantrekkingskracht. Terwijl elders in de stad kantoren en bedrijfspanden leegstaan, geldt voor De Nieuwe Stad een wachtlijst.Uitgangspunt is dat de kwaliteit van het gebied blijft groeien. Dat betekent dat de waarde die een gebied heeft voor de gebruikers, blijft toenemen. Energieneutraliteit met behulp van een ringleiding waar verschillende energiebronnen op aangesloten kunnen worden, speelt daarin een belangrijke rol.
Edwin Dalenoord, duurzaamheidsexpert bij Schipper Bosch: “In De Nieuwe Stad zijn we eigenaar van de volledige infrastructuur, inclusief elektriciteit, water, warmte en koeling. Uitgangspunt is dat we het gebruik van fossiele brandstof willen uitbannen. We hebben allerlei alternatieven onderzocht. We hebben bijvoorbeeld gekeken naar biogasvergisting en rioolwarmte, maar voor effectieve toepassing daarvan zijn er te weinig mensen in De Nieuwe Stad. Inmiddels zijn we erachter gekomen dat vlak naast ons terrein een groot hoofdriool loopt, en onderzoeken we de mogelijkheden om daaruit warmte te winnen. In de zomer gebruiken we het net voor koeling, die we onttrekken aan de leidingen voor grondwaterzuivering.”
“Het is enorm verleidelijk om af te wachten en degenen te volgen die het goed doen. Maar dat is niet hoe wij in elkaar steken.”
Bart Schoonderbeek, algemeen directeur van Schipper Bosch, vult aan: “We hebben ook onderzocht of we gebruik konden maken van geothermie op twee kilometer diepte. Dat bleek niet haalbaar, maar ik geloof er heilig in. Als we een paar miljoen over hadden gehad, zouden we het zeker hebben gedaan vanuit de overtuiging dat voldoende mensen zouden aanhaken. Het warmtenet gevoed door een biomassacentrale bleek de beste oplossing, vergde minder kapitaal en is flexibeler. We kunnen vanuit de huidige praktijk veel gemakkelijker aansluiten op nieuwe energieconcepten. Zo kijken we ook naar het gebruik van zonneboilers. Op gebouwniveau krijg je dat niet rond, maar op gebiedsniveau red je het wel. Het is enorm verleidelijk om af te wachten en degenen te volgen die het goed doen. Dan verdien je het meest. Maar dat is niet hoe wij in elkaar steken. Wachten heeft geen zin, je moet het gewoon doen.”
De bewoners krijgen tijdens een rondleiding uitleg over de biosmassacentrale. (Foto: Cees Wouda)
Het warmtenet is aangelegd met behulp van gestuurde boringen. Elk gebouw is met een sub-leiding aangesloten op het centrale circuit. Op het hele terrein zijn langs de gevels leidingstraten vrijgehouden, zodat noodzakelijk graafwerk bij uitbreiding en onderhoud effectief, met zo min mogelijk hinder kan plaatsvinden. De brandstof voor de biomassacentrale wordt nu nog ingekocht. Edwin Dalenoord: “Ons eerste doel was de centrale operationeel te maken. We zijn nu aan het onderzoeken hoe we in dat proces nog verder kunnen verduurzamen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van groen- en houtafval van de gemeente, hoveniersbedrijven en aannemers. Dat levert maximaal tweehonderd ton op, terwijl we duizend ton nodig hebben. We schalen dus langzaam op. We hebben ervoor gekozen om een biomassaketel te kopen en gewoon te beginnen, en kiezen daarmee dus ook bewust voor een leerproces.”
De Nieuwe Stad is in alles een lerend project, waarbij aansturing plaatsvindt op basis van de ontwikkelingen van vandaag. De achterliggende droom, gebaseerd op herontwikkeling vanuit de menselijke maat en duurzaamheid, is rotsvast verankerd in de organisatie, maar de weg ernaartoe wordt bepaald door ontwikkelingen en ervaringen. Bart Schoonderbeek: “Het gaat niet om stenen. Dat is dood materiaal. Een gebied als dit is een levend organisme. We hebben De Nieuwe Stad ontwikkeld vanuit hoe we zelf in een stad willen wonen. We denken niet vanuit stenen, maar vanuit mensen. We willen dromen verbinden. We willen mensen in staat stellen hun eigen omgeving mede vorm te geven. Daarvoor moeten gebieden autonoom en begrijpbaar zijn.”
De keuze van Schipper Bosch betekent een bewuste keuze voor vallen en opstaan, maar geeft tegelijkertijd een enorme dynamiek. Bart Schoonderbeek noemt het ‘permanente tijdelijkheid’. “De gewenste kwaliteit is uitgangspunt. Die ambitie is ononderhandelbaar. We zijn vrij recalcitrant. Dat betekent dat we steeds een hele weg te gaan hebben om iedereen te overtuigen. Maar de permanente tijdelijkheid stelt ons in staat om dagelijks bij te sturen. Dat is van enorme meerwaarde.”
De biomassacentrale wordt gevoed door met name houtsnippers en restafval van timmerfabrieken in de omgeving. (Foto: Cees Wouda)