Loading...

De Onderbreking

Verbinden

Verbinden

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Visie voor verandering

Interactief met bodeminformatie

Afstudeeronderzoek: ondergrond als uitgangspunt

Assen, Drents Museum

Amsterdam: ondergrond als een geheel

KIVI NIRIA TTOW in China

Kennisbank

Verbinden

Uit de trends blijkt dat de complexiteit van ondergrondse opgaven alleen maar groeit. Complexiteit vraagt niet alleen om een integrale aanpak en een integraal ontwerp. Adaptief ontwikkelen en ontwerpen zal het uitgangpunt worden, naast het innovatief combineren van vakgebieden. Voor het COB betekent dit dat projecten gericht op het leren samenwerken en het ontwikkelen van ‘zachte vaardigheden’ nog belangrijker worden. Hierbij gaat het vaak om het combineren van sociale intelligentie en technische intelligentie. Zelfs vakgebieden die dicht naast elkaar werken, zoals de mensen van de ondergrond en de ruimtelijke ontwikkelaars, vinden en begrijpen elkaar niet zomaar, en vaak al helemaal niet in een vroeg stadium van gebiedsontwikkeling.

Daarnaast is er de zoektocht naar effectieve manieren om bestaande kennis vast te houden, nieuwe kennis te ontwikkelen en beide bij betrokkenen te laten doorwerken. Ook hier is verbinden het toverwoord: kennis moet ‘stromen’ om ervan te leren en als sector vooruitgang te boeken. Daarbij moet ook naar het buitenland worden gekeken; kennisontwikkeling stopt niet bij de landsgrenzen. Internationaal ervaringen uitwisselen en samenwerken draagt in alle landen bij aan een hoger kennisniveau. Het COB ziet zichzelf als dé partij om deze opgave voor het vakgebied ondergronds bouwen op te pakken en samen met het netwerk uit te werken.

Er ontstaan ook ‘verbindingsopgaven’ door de toenemende invloed van ICT. Niet alleen binnen tunnelveiligheid, maar ook op het gebied van kabels en leidingen moeten verschillende vakgebieden vaker met elkaar samenwerken. Alles heeft intelligentie, alles heeft sensoren; de rol van experts verandert. Gaat open source technologie zijn intrede doen in de sector? Er komt monitoringdata uit diepwanden, kabels en leidingen, tunnelboormachines, gebouwen en de ruimte: wie maakt van data kennis, waar leggen we ervaringen vast? Wat zou er gebeuren als we meer data gaan delen? Zowel op de TU Eindhoven als bij de UvA zijn hoogleraren Big data aangesteld. Welke kansen zien zij voor de wereld van het ondergronds bouwen? Het COB heeft de ambitie om het netwerk uit te breiden met participanten die niet rechtstreeks betrokken zijn bij ondergronds bouwen, maar er wel mee te maken hebben, zoals energiebedrijven. Op die manier kunnen de opgaven effectiever opgepakt worden.

Het verbinden van vakgebieden is een methode om een verbeterslag te maken. Er is veel interessante kennis binnen hele andere vakgebieden: kennis uit de medische wereld kan ons helpen omgaan met de complexiteit van kabels en leidingen, de landbouw is sterk in het snel doorvoeren van innovaties, chemische installaties leren ons hoe je risicomanagement professionaliseert. We denken dat het COB als belangrijke taak heeft om deze kennis en ervaringen te presenteren en ons netwerk te prikkelen er gebruik van te maken. We zijn ervan overtuigd dat ook hier de 80/20-regel geldt: tachtig procent van de kennis is er al (in andere vakgebieden) en wij moeten ons concentreren op de twintig procent unieke kennis die de wereld van het ondergronds bouwen nodig heeft.

Integrale aanpak leidt tot slimme oplossingen

Het westelijk tunnelgebouw van de Sluiskiltunnel staat niet zoals gebruikelijk op de breedte van de hele tunnel, maar alleen op de noordbuis. Die ingreep bespaart vier tot vijf maanden in het bouwproces. De excentrische plaatsing maakte het mogelijk dat eerder kan worden gestart met de tunneltechnische installaties. Het is een van de zichtbare effecten van de samenwerking tussen Koninklijke BAM Groep NV en TBI Holding NV.

Ontwerpmanager Chris Hakkaart bracht een groot aantal integrale oplossingen binnen het project in kaart. “We hebben het dan niet over uitvindingen of innovaties, maar over slim combineren”, aldus Hakkaart. “Het zijn oplossingen die voortkomen uit de wens om knelpunten in tijd en in de samenwerking tussen verschillende disciplines te ondervangen.”

Geen harmonica

“In een samenwerking tussen verschillende disciplines heb je ieder je eigen verantwoordelijkheid én een grijs gebied, waar dat niet altijd meteen duidelijk is. Dat vergt afstemming en de wil om jezelf steeds de vraag te stellen of de ander ook door kan met zijn werk. Zeker in een project als de Sluiskiltunnel is de planning geen harmonica die je naar believen verder in elkaar kunt drukken. Je moet afstemmen en met slimme oplossingen komen die het mogelijk maken dat meer werkzaamheden gelijktijdig kunnen plaatsvinden.

Ondanks dat er altijd de druk is om snel te handelen, moet je voor dit soort oplossingen af en toe even afstand kunnen nemen. Je hebt tijd voor reflectie nodig. Achterover leunen, ijsberen en jezelf de vraag stellen: ‘Kunnen we dit ook anders oplossen?’ Ruimte houden voor die reflectie vergt overigens wel volharding. Je moet blijven motiveren en overtuigen. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen, maar het is wel nodig als je partieel wilt ontwerpen.”

Het proces van partieel ontwerpen vergelijkt Hakkaart met het pellen van een ui. “Je pakt schil voor schil op en als je het over een schil eens bent, kun je door. Voor die aanpak heb je niet alleen je eigen organisatie, maar ook de opdrachtgever nodig. Dat is bij de Sluiskiltunnel gelukt, al was het in het begin soms moeilijk. Maar allengs groeit het vertrouwen en is er meer begrip voor elkaars discipline.”

Alles tegelijk

De slimme, tijd- en geldbesparende oplossingen zijn het rechtstreeks gevolg van de samenwerking tussen civiel en installatietechniek. Chris Hakkaart: “We hebben gewerkt vanuit één gecombineerd 3D-model waarin momenteel civiel, elektrotechniek en werktuigbouw zijn gecombineerd. We hebben alle disciplines in één gebouw bij elkaar gezet en meteen vanaf de start van het tunnelontwerp laten beginnen. Door partieel te ontwerpen kon de uitvoering vroegtijdig starten.”

De tunnelboormachine voor de Sluiskiltunnel is speciaal gebouwd voor het project. Het snijrad heeft een doorsnede van elf meter en is aangepast aan de Zeeuws-Vlaamse bodem. Per dag wordt zo’n tien meter tunnel aangelegd. (Foto: Harry Bijl)

Net als het draaien van het tunnelgebouw, dateert deze keuze al uit de tenderfase. Daar moesten beschikbare tijd, mankracht en kosten immers in balans worden gebracht. Verschillende slimme oplossingen hebben daaraan bijgedragen, zoals het meteen integreren van tegenlichtschermen in het ontwerp voor de toeritten, het intekenen van een apart, manshoog kanaal voor kabels en leidingen onder het wegdek van de tunnel en het integreren van de brandwerendheidseisen in het beton van de segmenten van de boortunnel, waarmee een tijdrovende afwerking met een brandwerende coating achteraf werd voorkomen.

Maar ook ‘onderweg’ bleken er nog tal van optimalisaties mogelijk. Omdat er geen tijd was om het beton van het dichtblok voor de tunnelboormachine lang genoeg te laten uitharden, werd het verhardingsproces gemonitord, waardoor tot snellere vrijgave besloten kon worden. Juist bij dit soort oplossingen heeft Chris Hakkaart het over ‘durven en doen’. “Er is niet altijd tijd om oplossingen tot de laatste snik uit te schrijven en aan te tonen. Je moet ook durven vertrouwen op ervaring. Je probeert iets nieuws met het vertrouwen dat het goed komt.”

Soms is het iets makkelijker. Bij de kruising van een aantal hoogspanningskabels moest een oplossing gevonden worden voor het mogelijkerwijs te veel opwarmen van die kabels als gevolg van het aan te brengen zanddek. Luchthappers in combinatie met gestapelde kratten, die normaal gesproken worden gebruikt voor wateropslag onder parkeerplaatsen, vormen een ondergronds ventilatiekanaal, waarmee wordt voorkomen dat de hoogspanningskabels te warm worden. Het gaat om een bestaand product waarvan de constructieve capaciteit al eerder is aangetoond.

“Dan is het nog een kwestie van het vergaren van alle informatie en afstemming met betrokken partijen”, vertelt Chris Hakkaart. “Aanvankelijk werd een betonnen overkluizing als oplossing aangedragen. Maar die zou je moeten funderen en dat is kostbaar. Dan komt het erop aan dat je doorvraagt. Toen bleek dat het om een ventilatieprobleem ging, kwamen de alternatieven. Met de krattenoplossing als resultaat.”

Niet altijd zichtbaar

Achteraf zijn slimme oplossingen vaak niet meer zichtbaar. Wie weet na de oplevering nog wat de reden was achter de locatie van het tunnelgebouw? Laat staan dat iemand zich afvraagt waarom er een ventilatiekanaal onder de weg doorloopt. Toch zijn het de slimme oplossingen die meehelpen een project binnen planning te realiseren. Nog een aantal voorbeelden (zie ook de Prezi hiernaast):

  • Boorterpen
    Om tot de kortste projectlengte met de langste boorlengte te komen, werden boorterpen aangelegd voor de start- en ontvangstschachten van de tunnelboormachine.
  • Omhulling gewipalen
    Potentiële vertraging bij het aanbrengen van gewipalen, als gevolg van de enorme kleefkracht van de Boomse klei terplaatse, werd opgelost door de palen met een losse kunststof buis te omhullen.
  • Brandwerendheid
    In de tunnelsegmenten zijn polypropyleenvezels verwerkt die een dure en tijdrovende later aan te brengen extra brandwerende laag overbodig maakte.
  • Tegenlichtschermen
    De tegenlichtschermen bij de toeritten van de tunnel zijn uit architectonische overwegingen meteen in de constructie van de toeritten opgenomen.

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

Visie voor verandering

Woensdag 21 januari 2015, op de jaarlijkse Marktdag, kondigde Jan Hendrik Dronkers (DG Rijkswaterstaat) het aan: Rijkswaterstaat wil dit jaar een nieuwe marktvisie ontwikkelen, sámen met de markt. Wat houdt dat in? Roger Mol, trajectleider en inkoopdirecteur bij Rijkswaterstaat, geeft een toelichting.

“We willen naar een nieuwe marktvisie vanuit verschillende behoeften. Allereerst verandert de wereld om ons heen. Er is bijvoorbeeld steeds meer sprake van gebiedsopgaven in plaats van enkelvoudige opgaven. Rijkswaterstaat en andere publieke opdrachtgevers (gemeenten, provincies, etc.) trekken vaker met elkaar op. We willen niet één probleem oplossen, maar met een oplossing meerdere opgaven aanpakken. Deze verschuiving heeft effect op de samenwerking met de markt, omdat je nu iets anders wilt bereiken. We merken dat de huidige marktvisie ‘De markt, tenzij’ langzamerhand aangepast moet worden naar meer ‘Samen met de markt’.”

“Ik denk niet dat er ooit gelijkheid zal zijn, maar gelijkwaardigheid is wel ons streven. Daarom willen we de marktvisie ook samen met de markt ontwikkelen. Als Rijkswaterstaat in z’n eentje bedenkt wat goed is voor de wereld, dan is er geen gelijkwaardigheid. En een nieuwe samenwerking vraagt zowel inzet van de opdrachtgever als de opdrachtnemer. Het projectbelang – of beter gezegd, het opgavenbelang – moet meer voorop komen te staan. De zogeheten vechtcontracten van de laatste jaren zijn voor ons ook aanleiding om te veranderen. We willen af van de situatie waarbij partijen voor een (veel) te lage prijs inschrijven en je vervolgens alleen maar bezig bent met claims. Dat hoor je ook vanuit de markt. Men wil weer trots zijn op het vak; er worden prachtige dingen gebouwd, maar door al het gedoe raakt dat op de achtergrond. Er is vanuit marktpartijen commitment om het anders te gaan doen.”

Samen

“De marktvisie moet er onder meer aan bijdragen dat we (opdrachtnemers en Rijkswaterstaat) meer begrip voor elkaars rol krijgen. Enerzijds het besef dat wij als Rijkswaterstaat in een politieke context zitten en ook niet alles zelf kunnen bepalen. Er liggen complexe uitdagingen die moeten worden opgepakt in een maatschappij die veel van ons verwacht. Anderzijds begrip voor de markt, waar omzet gegenereerd moet worden omdat er anders mensen op straat komen te staan – zo is het in ieder geval op dit moment. We kunnen niet simpelweg zeggen ‘Volg ons beleid op’ als ons doel is meer samen te werken. We zullen ons meer in elkaar moeten verplaatsen. Daarom zoeken we bij de totstandkoming van de marktvisie al de samenwerking op.”

“Vanuit Rijkswaterstaat hebben we alleen hoofdlijnen geformuleerd, die overigens ook niet in beton gegoten zijn. Op meerdere manieren verzamelen we input vanuit de markt, bijvoorbeeld via Marktvisiecafés. Tijdens elke bijeenkomst staat een ander thema centraal, omdat je anders kans hebt dat het steeds over grote projecten gaat. Terwijl andere onderwerpen ook belangrijk zijn, zoals samenwerking in de keten: Rijkswaterstaat heeft meestal alleen een relatie met een hoofdopdrachtnemer, maar daar zit een hele keten onder en uiteindelijk is die hele keten van belang voor een goed project. Hoe kunnen we dit verwerken in de martkvisie?”

Om stakeholders de gelegenheid te geven om ideeën en wensen in te brengen organiseert Rijkswaterstaat Marktvisiecafés. (Foto: RWS)

Onderscheid

“We hebben inmiddels stapels Excelsheets met input. Twee weken terug zijn we in een rodedradensessie, samen met brancheorganisaties, gestart met het bepalen van de kernpunten. Dat gebeurt op twee niveaus. Er zijn op instrumentniveau veel dingen die we kunnen verbeteren, maar er zit ook een laag daarboven. Cultuur is zo’n overkoepelend aspect. Je brengt daarin geen verandering teweeg met een nieuw of aangepast instrument. En voor veel concrete, praktische problemen is het wel noodzakelijk dat er op een hoger niveau iets verandert. Daarom gaat de marktvisie ook in op deze meer metazaken. De visie kan zodoende bijvoorbeeld impact hebben op de samenstelling van teams, zowel bij Rijkswaterstaat als bij marktpartijen. Diversiteit in typen personen en competenties is van grote invloed op cultuur. De marktvisie kan daarnaast ook onderscheid maken tussen verschillende domeinen. Er zijn wellicht werkvelden die om een specifieke aanpak vragen en daar kan de marktvisie handvatten voor bieden.”

Anticiperen

“Er is een grote urgentie bij ons en bij de markt om de problemen van nu op te lossen, maar we moeten niet vergeten dat we ook ergens naartoe gaan: we leven nu in een bepaalde conjunctuur, hoe ziet die er over vijf jaar uit? Is dat wat we nu aan instrumenten veranderen dan nog wel houdbaar? Stel dat de economie aantrekt, en dat gebeurt in feite al, wat betekent dat dan voor de markt? En waar wil de markt zelf naartoe? Het gaat erom de problemen van nu op te lossen, maar wel met de blik op de toekomst. Bij een Marktcafé was er bijvoorbeeld discussie over intellectueel eigendom. Totdat iemand zei: ‘Waar maken jullie je druk om? De wereld verandert op het gebied van kennis- en informatiedeling zo snel dat intellectueel eigendom over twee jaar helemaal geen issue meer is.”

“Het is de bedoeling dat er aan het einde van dit jaar zowel een marktvisie als een implementatieplan op hoofdlijnen ligt. Daarin staan uitspraken waarmee we direct in projecten aan de slag kunnen. Er zullen ook voornemens zijn die tijd kosten. De implementatie wordt best een uitdaging, dat merken we nu al. Met Bouwend Nederland hebben we bijvoorbeeld een manier bedacht om transactiekosten te verminderen (de kosten die een onderneming maakt tijdens een aanbestedingstraject, red.). Het houdt onder meer in dat de doorlooptijd van de aanbesteding korter wordt. Bij de aanbesteding van Sluis Eefde, waar we dit plan uitproberen, reageerden enkele tendermanagers van marktpartijen echter niet direct positief, ze wilden juist meer tijd. Daaraan zie je dat er vanaf beide kanten veel managementaandacht nodig is om veranderingen door te voeren.”

“Het is daarom ook belangrijk dat we samen de kernpunten valideren die we uit alle input halen. Dat is de reden waarom brancheorganisaties deelnamen aan de rodedradensessie. Zij kunnen aangeven of we de juiste punten te pakken hebben, of dat er nog iets ontbreekt. Daarnaast hebben we Stichting Bouwreflectie gevraagd om een reflectiegroep samen te stellen. Dat zijn mensen die in praktijkprojecten te maken hebben met de onderwerpen van de marktvisie. Herkennen zij de rode draden? Op deze manier willen we achterhalen of dat wat we bedenken, ons daadwerkelijk gaat helpen. De top kan wel overtuigd zijn, maar als het daar blijft hangen, gebeurt er niets.”

Interactief met bodeminformatie

Wie de haalbaarheid en opbrengst van een nieuwe aardwarmte-installatie wil weten, moet nu een heel rijtje informatiebronnen raadplegen. In veel gevallen is één blik in de BodemTool straks voldoende. De onlineapplicatie die in opdracht van SKB is gemaakt, combineert bodem- en omgevingsinformatie uit verschillende bronnen, maakt er een 3D-kaart van en laat zien wat de effecten van een maatregel zijn

SKB, voluit Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem, beschikt over een schat aan informatie over de bodem. Via de website Soilpedia wordt een deel daarvan ontsloten, maar veel diepgaande achtergrondinformatie wordt nooit door de lezers bereikt. Een consortium bestaande uit Ambient/RO2 en StrateGis kreeg daarom de opdracht een slim systeem te ontwikkelen dat bodeminformatie op een geïntegreerde en gebruiksvriendelijke manier toegankelijk maakt. En zo ontstond de BodemTool.

David van den Burg, partner bij Ambient/RO2: “De BodemTool is inmiddels veel méér dan een toegangspoort naar kennis van SKB. Informatie over de ondergrond staat op allerlei verschillende plekken. Het Kadaster beheert bijvoorbeeld gegevens over de bebouwde omgeving, het DINOLoket bevat data over grondlagen, gemeenten hebben informatie over kabels en leidingen, en SKB heeft achtergrondinformatie over WKO-installaties. Dat heeft natuurlijk zijn redenen, maar een eindgebruiker wil deze informatie gebundeld bekijken. De BodemTool biedt deze mogelijkheid.”

Interactief

De gebruiker begint met het kiezen van een gebied. Momenteel zijn er voor Rotterdam Centrum en Leidschendam de meeste data beschikbaar, maar de gebruiker is vrij om zelf een gebied binnen Nederland te selecteren. Vervolgens verschijnen er een 3D-kaart en een toolbox. Met de visualisatiegereedschappen kun je informatie zichtbaar en onzichtbaar maken: wel of geen bebouwing, wel of geen kabels en leidingen, wel of geen bodemverontreiniging, etc. Ook bestemmingsplannen staan erin, evenals drinkwatergebieden, archeologie en ondergrondse bouwwerken.

Screenshot van de BodemTool. (Beeld: Ambient/RO2)

“De BodemTool bevat voor iedere locatie in ieder geval informatie uit het Kadaster, het DINOLoket, de Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en . De gebruiker krijgt zo inzicht in de stand van zaken, zowel fysiek als beleidsmatig”, vertelt Van den Burg.

Tot zover lijkt de BodemTool op de Atlas Leefomgeving, een website die milieu- en gezondheidsinformatie geïntegreerd aanbiedt. Het grote verschil is de interactiviteit. Waar de gebruiker bij de Atlas alleen informatie kan uitlezen, kan de BodemTool ook reageren op input van de gebruiker. Van den Burg: “Je kunt in de BodemTool maatregelen nemen en kijken wat het effect daarvan is. Wanneer je bijvoorbeeld een waterberging of parkeergarage een gebied in sleept, geeft het systeem aan in hoeverre er conflicten ontstaan en welke impact de maatregel heeft. Er wordt gekeken naar effecten binnen de vijf P’s: people, planet, profit, project en public. Je ziet dus wat de maatregel oplevert qua geld, maar ook wat de consequenties zijn voor de bewoners en het milieu. Uiteindelijk zal dit een belangrijke functionaliteit worden, want als een gemeente bijvoorbeeld een windmolen wil plaatsen, dan kost een haalbaarheidsonderzoek nu veel tijd en geld. Met de BodemTool zou je binnen een dag een vrij goed beeld hebben van geschikte locaties, de knelpunten en de kosten en baten van een dergelijke maatregel. Hiervoor werken we echter nog aan de gebruiksvriendelijkheid.”

“De meeste gebruikers zijn nu goed in staat om met de tool een gebied te onderzoeken. Je merkt daarbij verschil tussen doelgroepen: beleidsmedewerkers ruimtelijke ordening vinden de informatie bijvoorbeeld nuttig en compleet, maar vrij complex, terwijl bodemspecialisten zeggen dat het systeem niet gedetailleerd genoeg is. Naar ons idee hebben we het dus precies goed gedaan,” meent Van den Burg, “maar het kan natuurlijk altijd beter.”

Denkwerk
De BodemTool bestaat grofweg uit twee delen: de interface waarin de gebruiker werkt (de website) en een systeem achter de schermen dat alle gegevens aan elkaar knoopt en er zinnige informatie van maakt. Van den Burg: “Hiervoor worden bestaande modellen gebruikt, waarin we de kennis van SKB hebben verweven. Ook TNO heeft meegewerkt. Zij hebben binnen hun concept Urban Strategy rekenmodellen ontwikkeld om de gevolgen van planologische ingrepen inzichtelijk te maken.”

In het kader rechtsboven is te zien wat de consequenties zijn van het installeren van een hoge temperatuuropslag op deze locatie. (Beeld: Ambient/RO2)

“In Dordrecht is de tool toegepast in een praktijkproject. De gemeente is daar op zoek naar een optimaal tracé voor een mogelijke spoortunnel. Met behulp van de BodemTool kon de gemeente snel zien wat er op verschillende locaties mogelijk is en welke effecten ondergronds bouwen daar zou hebben. Het tracé dat je zo bepaalt, moet je natuurlijk nog nader onderzoeken, maar je hebt vast een goede indicatie”, aldus Van den Burg.

Wenkend perspectief

Omdat de tool nog in ontwikkeling is, zijn SKB en de makers tot nu toe terughoudend geweest met promotie. Er worden kleine bijeenkomsten georganiseerd voor de beoogde gebruikers om te vertellen wat er allemaal mee kan. “Ook vragen we waar nog behoefte aan is, zodat we daar in volgende versies op in kunnen spelen”, zegt Van den Burg. Ondertussen kan iedereen de BodemTool bekijken en gebruiken via www.bodemtool.nl.

Van den Burg ziet de applicatie nu vooral als een ‘wenkend perspectief’: “De basis van het systeem is er: de data zitten erin, er is een methodiek om meer data toe te voegen en er zijn modellen die gegevens aan elkaar koppelen en als informatie ontsluiten. We zijn in principe in staat om binnen een halve dag de relevante data van een nieuwe bronhouder (zoals gemeente, waterschap, provincie) in te lezen en correct te integreren. Ook kun je al spelen met maatregelen. De tool is daardoor al heel bruikbaar in een verkennende fase van een project; het maakt de communicatie gemakkelijker. Maar uiteindelijk zou de tool gebruikt kunnen worden bij het opstellen van (ondergrondse) structuurvisies of het (her)inrichten van een gebied. Dat zie ik over een aantal jaar gebeuren.”

Potentiële energiebesparing van ondergronds bouwen

Nederland wordt steeds voller, hierdoor verschuift de stedenbouwkundige opgave steeds meer naar transformatie. Daarnaast is en blijft Nederland een waterland, waar de dreiging vanaf de zee en rivieren blijft toenemen. Dit water vormt ook juist een sterke ruimtelijke kwaliteit; wonen aan het water is zeer populair. Reden voor mij om te kiezen voor een afstudeerproject dat beide thema’s bevat. Stadshavens Rotterdam is een goed voorbeeld van een gebied waar een herstructureringsopgave samenvalt met een wateropgave.

Stadshavens Rotterdam, een gebied van zestienhonderd hectare, heeft een rijke havengeschiedenis, maar zal deze functie gaan verliezen nu de Tweede Maasvlakte er is. Stadshavens zal vrijkomen voor woningbouw. Mijn afstudeerproject gaat in op de transformatie van de Merwe-Vierhavens (M4H): honderd hectare aan de noordoever van de Maas, dicht bij het centrum van Schiedam, een ideale woonlocatie. Dit gebied is nu nog in gebruik bij vele havenbedrijven, die niet op korte termijn allemaal tegelijk zullen vertrekken. Er is daarom behoefte aan een nieuwe aanpak. Een organische ontwikkeling waarbij rekening gehouden wordt met de bestaande elementen in het gebied. Niet alleen met de zichtbare bovengrondse elementen, maar juist met de ondergrondse thema’s, zoals kabels en leidingen, bodemvervuiling, kademuren en funderingen. Onderwerpen die normaal gesproken voor kosten en oponthoud zorgen tijdens de realisatie van een project, worden nu als uitgangspunt genomen en dienen als basis voor het ontwerp.

Door de ondergrond als uitgangspunt te nemen, zijn er sterke limieten aan de ontwerpvrijheid toegekend. In plaats van het meest interessante of futuristische ontwerp te maken, is ervoor gekozen om te laten zien dat er, met deze limieten, nog steeds goed werkende ontwerpen mogelijk zijn. Een ontwerp dat aantoont dat het zo ook kan, een nieuwe duurzame oplossing voor herstructureringsgebieden.

De volgende onderzoeksvraag stond centraal: Hoe kan een industrieel havengebied getransformeerd worden naar een aantrekkelijk gebied voor gemengd gebruik (haven-stad), waarbij de behoeften van bedrijven en woningen alsmede de ondergrondse eigenschappen voorop staan? De deelvragen belichten drie thema’s: Hoe combineer je woningen met havenbedrijven? Hoe vind een transformatie plaats in de tijd? En hoe ga je om met de condities van de locatie (bodem en water)? Deze laatste deelvraag is geleidelijk aan steeds belangrijker voor mij geworden en heeft de loop het project bepaald.

Allereerst is er veel onderzoek gedaan naar de ondergrondse eigenschappen van de M4H, aan de hand van het SEES-schema (System Exploration Environment & Subsoil). Dit schema combineert de stedenbouwkundige lagen (People, Metabolism, Buildings, Public space en Infrastructure) met de ondergrondse lagen (Civil constructions, Energy, Water en Subsurface). Het schema helpt bij het inventariseren van obstakels en kansen, maar heeft mij vooral bewust gemaakt van wat er allemaal speelt in de ondergrond. Verschillende, voor de M4H belangrijke onderwerpen zijn onderzocht en in kaart gebracht: de ondergrondpotentiekaart. Of zoals hij tijdens mijn stage bij de gemeente Rotterdam genoemd werd: de verleidingskaart.

De potentiekaart bevat 2D-informatie over de ondergrond, maar laat ook de derde dimensie zien door de toevoeging van doorsneden. Deze derde dimensie is zeer belangrijk, aangezien bijvoorbeeld saneringstechnieken aangepast worden op de diepte van de vervuiling. Tevens zijn tools toegevoegd die laten zien wat een ontwerper met de informatie kan doen (wat er bijvoorbeeld mogelijk is met oude funderingen). De kaart is vooral bedoeld om ontwerpers te inspireren de ondergrond te gebruiken in het ontwerpproces, in plaats van het gebied te zien als een tabula rasa, en met een wit papier te beginnen.

Aan de hand van de verleidingskaart is er een stedenbouwkundige visie voor de gehele haven opgesteld, waarna ingezoomd is op twee deelgebieden. Hierop is een grondigere analyse toegepast, met een gedetailleerdere kaart als resultaat. Dit is de basis voor het tweede deel van het afstudeerproject: het ontwerp.

Funderingen en kabels en leidingen in de haven zijn de belangrijkste elementen geweest voor het ontwerp. De nieuwe gebouwen/woningen zijn geplaatst op de bestaande funderingen, deze hoeven dus niet weg gehaald te worden bij de sloop van havenbedrijven. Er is hierbij gezocht naar een woningtypologie die past bij de maatvoering van deze palen. De kabels en leidingen hebben op hun beurt gezorgd voor regels voor de openbare ruimte. Zo liggen de hoofdleidingen bijvoorbeeld in een parkomgeving, zodat er geen wegen opengebroken hoeven te worden bij onderhoud.

Het uiteindelijke ontwerp laat zien dat het mogelijk is te ontwerpen met de ondergrond als uitgangspunt. Het uitgangspunt stelt veel limieten, maar zorgt uiteindelijk voor kostenbesparing en een duurzamer resultaat. Deze manier van kijken naar een stedenbouwkundige opgave is nieuw, waardoor er nog weinig literatuur aanwezig is, onderzoek vrij lastig is en mensen kritisch zullen zijn. Maar ik geloof dat dit dé manier is om boven- en ondergrond met elkaar te laten samenwerken.

De Dienst Metro van de gemeente Amsterdam wil de Noord/Zuidlijn vanuit Life Cycle Costing (LCC) beheren. Maar de aanleg van de Noord/Zuidlijn is niet vanuit dat beginsel gestart. In de aanloop naar de overdracht van bouw naar beheer wordt zo veel mogelijk getracht het LCC-denken alsnog in het project te integreren. Een dialoog tussen project (Barry van der Struijs) en beheer (Erik Bijlsma).

De opening van de Noord/Zuidlijn staat gepland voor 2017. Dan is het negentien jaar geleden dat de eerste specificaties werden gemaakt. Het beheer van de nieuwe openbaarvervoerder moet echter bij voorkeur wel plaatsvinden conform de inzichten van vandaag. Life Cycle Costing (LCC) is een methodiek waarbij kosten en baten gedurende de gehele levensduur vooraf inzichtelijk worden gemaakt. De methode is door de Dienst Metro omarmd. Hoe je tot de meest optimale aanpak komt bij een project dat al in een vergevorderd stadium is, is een opgave waar de afdeling Eigendom en Beheer en het project Noord/Zuidlijn van de Dienst Metro zich al bijna drie jaar over buigen. En met succes. Het is weliswaar niet gelukt om alle voor het beheer benodigde informatie met terugwerkende kracht op een standaardwijze vast te leggen, maar de informatie is en wordt wel beschikbaar gemaakt. Voor informatie over alles wat met ruwbouw te maken heeft, moet de Dienst Metro een migratieslag maken. Voor het deel Transport Techniek & Afbouw (o.a. rails, stationsinrichting en energievoorziening) was reparatie mogelijk en voor de aanvullende ‘intelligente’ installaties, die grotendeels nog moeten worden aangelegd, kan volledig volgens de LCC-standaard worden gewerkt.

Hoewel het boren voor de Noord/Zuidlijn is afgerond, is er er nog veel te doen aan het project. Hier wordt op station Vijzelgracht de wapening van voorzetwanden in orde gemaakt. (Foto: Flickr/Gé Dubbelman)

Erik Bijlsma benadrukt het belang van de structurele LCC-aanpak. “In de afweging bij de start van projecten is de aandacht primair gericht op de investering. Maar als je het beheer niet goed inricht, zul je de beoogde levensduur niet halen.” De methodische LCC-aanpak is nodig omdat aandacht voor beheer in de aanlegfase niet vanzelfsprekend is. Barry van der Struijs: “Mensen die bij dergelijke projecten betrokken zijn, willen vaak zo snel mogelijk bouwen. Er zijn er weinig die in deze fase al naar de klant kijken.”

LCC-eisen

Vanuit het project Noord/Zuidlijn was er een natuurlijke terughoudendheid tegen wat als aanvullende wensen werd gezien. ‘Leuk maar te laat’, was de reactie. Erik Bijlsma: “Die reactie kom je nu zelfs nog binnen onze Dienst Metro tegen. Vanuit beheer komen er extra eisen. Dat is lastig.” En hoe later die vraag komt, des te moeilijker het is. Barry van der Struijs: “Voor een project is het een last als de beheerder zich pas mobiliseert aan het einde van het traject. Eigenlijk wil je vanuit de projectorganisatie de beheercriteria in een vroeg stadium kennen, zodat je aan het eind extra kosten voorkomt. Maar wat je vaak ziet, is dat daarvoor geen financiële middelen of capaciteit worden vrijgemaakt. Vijf jaar geleden is vanuit het project al aan de opdrachtgever gevraagd hoe hij de voor het beheer benodigde informatie wenste te ontvangen. Daar kwam toen niet het gewenste antwoord op.”

Structureel anders

“Drie jaar geleden kwam de bewustwording dat het structureel anders moest”, vult Erik Bijlsma aan. “Er is minder subsidie voor beheer. Je moet problemen aan de voorkant oplossen. Je moet dus vooraf aangeven wat de beheereisen zijn. Daarbij gaat het niet alleen om het overdrachtsmoment, maar om het hele proces van scope, planning en budget. Bij de Noord/Zuidlijn had eigenlijk iemand al in 1998 met een beheerderbril naar het project moeten kijken.”

Met die wetenschap lag er de uitdaging om in een vergevorderd stadium van het project alsnog de LCC-aanpak te integreren. De project- en beheermensen vonden elkaar in het gedeelde belang van de stad Amsterdam. Het traditionele denken in termen van opdrachtgever en -nemer werd doorbroken. Daarvoor in de plaats kwam een aanpak die uitgaat van verschillende taken en verantwoordelijkheden in het nastreven van een gezamenlijk belang. Erik Bijlsma: “Het gaat uiteindelijk om het bereiken van een gezamenlijke oplossing, waarbij de gestelde kaders van zowel de bouwers als de beheerders op het gebied van tijd, geld en kwaliteit samenkomen. We hebben primair gekeken wat nog haalbaar was en niet naar wat volgens onze huidige eisen had moet worden meegegeven. Er waren weliswaar geen volledige sets aan documentvoorschriften aan de marktpartijen ter beschikking gesteld, maar de informatie die wij nodig hadden, bleek vindbaar in de systemen van de marktpartijen.”

Barry van der Struijs: “Pas aan het eind van het traject is meetbaar wat deze aanpak heeft opgeleverd. Maar we kunnen al wel zeggen dat de samenwerking positief uitpakt. Amsterdam is goed voorbereid op de beheerfase.” Erik Bijlsma beaamt dat: “Het is positiever uitgevallen dan ik had verwacht. We hebben gebruikgemaakt van elkaars kennis en daarmee ook de processen binnen onze afdeling Eigendom en Beheer kunnen optimaliseren.”

Assen, Drents Museum

Het Drents museum staat in het historische centrum van Assen op de plek van het voormalig klooster Maria in Campis. Toen het museum moest worden uitgebreid was duidelijk dat er binnen het oude kloostercomplex geen ruimte was. Architect Erick van Egeraat vond de oplossing in de ondergrond: hij ontwierp een nieuwe ondergrondse vleugel voor het museum net buiten het kloostercomplex.

Op 16 november 2011 heeft toenmalige Hare Majesteit Koningin Beatrix het vernieuwde Drents Museum geopend. De nieuwe ondergrondse uitbreiding heeft een oppervlak van in totaal tweeduizend vierkante meter. Daarvan komt de helft voor rekening van de nieuwe expositievleugel. Naast deze vleugel heeft het museum ook een nieuwe entree, een café en een grotere museumwinkel gekregen.

Nieuwe vleugel Drents Museum. (Foto: J. Collingridge)

Bouwkuip

Voor de bouw van de ondergrondse uitbreiding moest een grote bouwkuip worden gemaakt, bestaande uit twee rechthoekige delen die schuin achter elkaar liggen en via een relatief smalle sleuf met elkaar zijn verbonden. Door gebruik te maken van een waterdichte laag potklei op een diepte van achttien meter, was bronbemaling in de kuip niet nodig.

Vanwege het risico op schade aan de nabij gelegen monumentale bebouwing zijn voor de realisatie van de wanden van de bouwkuip drie verschillende technieken gebruikt. Voor het deel van de kuip dat het verst van de monumentale gebouwen af ligt zijn damwandplanken ingetrild, nadat de grond was losgeboord. Dichterbij, waar de kuip tussen de gebouwen ligt, zijn soilmix-wanden gemaakt. Bij deze trillingsvrije techniek is de lokale ondergrond met een frees tot in de laag potklei losgewoeld en vermengd met een cementmix, waardoor een stevige grond- en grondwaterkerende constructie is ontstaan.

De derde techniek, jetgrouten, is gebruikt voor het gedeelte van de bouwkuip dat onder het bestaande monumentale hoofdgebouw ligt. Ook dit is een trillingsvrije techniek. Via gaten in de vloer is met injectielansen een groutspecie onder hoge druk in de grond onder het gebouw geïnjecteerd. De groutkolommen die op deze manier zijn gevormd, hebben een diameter van circa 1,5 meter en een lengte van 13 meter. Om de stabiliteit van de verschillende delen van de bouwkuip te garanderen, zijn tijdelijk stempels geplaatst.

Koetshuis

Op de plek waar de bouwkuip moest komen stond een monumentaal koetshuis. Om de kuip te kunnen maken, is dit koetshuis opgevijzeld, voorzien van een stalen draagframe en vervolgens over een afstand van circa 25 meter verplaatst en daar tijdelijk ‘geparkeerd’. Nadat de ondergrondse bouw gereed was, is het koetshuis weer naar zijn oorspronkelijk plek geschoven. Daar is het een meter opgetild en op een glazen plint is geplaatst.

Het koetshuis – dat tussen het hoofdgebouw van het museum en de nieuwe vleugel in staat – is de entree voor het vernieuwde museum. Via een fraai vormgegeven trap dalen de bezoekers hier af naar de ondergrondse centrale hal, die volledig onder het maaiveld ligt. De glazen plint zorgt ervoor dat in deze hal daglicht naar binnenvalt. Vanuit de hal kunnen bezoekers twee kanten op, naar de nieuwe ondergrondse vleugel of naar de trap en lift die toegang bieden tot de exposities in het hoofdgebouw. De gehele ondergrondse ruimte is in wit uitgevoerd en valt op door vloeiende vormen en statige kolommen.

Het dak van de nieuwe ondergrondse expositievleugel steekt iets boven het maaiveld uit. Het is opgebouwd uit vier verspringende dakvlakken die ruimte bieden aan verticale lichtstroken. Via deze lichtstroken valt er indirect daglicht in de expositieruimte. Voor de dakconstructie zijn stalen liggers gebruikt. Op het dak is een openbare tuin aangelegd.

Aanleg daktuin (Foto: Drents Museum)

Amsterdam: ondergrond als een geheel

In december 2012 stond het relatiemagazine van de Amsterdamse Dienst Ruimtelijke Ordening in het teken van de ondergrond. Was het zomaar een thema of zit er meer achter? Dat laatste, zo blijkt uit een gesprek met initiatiefnemer Frans Dubbeldam (DRO) en medeauteur Michiel Wentholt (Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer, DIVV).

Sinds 1994 brengt de Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) van gemeente Amsterdam ongeveer acht keer per jaar het relatiemagazine PLAN Amsterdam uit. Telkens heeft het blad een ander thema. Het laatste nummer van 2012 richtte zich op de ondergrond van Amsterdam, met artikelen over de eigenschappen en functies, trends en ontwikkelingen, en de manier waarop in de hoofdstad wordt omgegaan met de ondergrond. Frans Dubbeldam, planoloog bij DRO, was een van de drijvende krachten achter de uitgave. “We hebben PLAN Amsterdam aangewend als middel om verder te komen op het gebied van ondergronds ruimtegebruik. We wilden laten zien dat de ondergrond één geheel is, dat allerlei vakgebieden hier samenkomen. Het magazine moet vooral oproepen tot nadenken, zodat de verschillende gemeentelijke disciplines naar elkaar gaan luisteren”, vertelt Dubbeldam.

PLAN Amsterdam kent ongeveer twaalfhonderd abonnees en wordt daarnaast verspreid via conferenties. De lezers zijn onder andere gemeentemedewerkers, politici en professionals op het gebied van ruimtelijke ordening. Het blad gaat in op de stedelijke ontwikkelingen binnen Amsterdam met als doel kennisdeling en visieontwikkeling te bevorderen.
>> Naar de PLAN Amsterdam over de ondergrond

 

 

 

 

Een van de betrokken disciplines is Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer (DIVV), waar Michiel Wentholt werkzaam is als adviseur bij Bureau Stadsregie. Wentholt schreef in PLAN Amsterdam over het Coördinatiestelsel. Via dat samenwerkingsverband wordt al sinds 1924 regie gevoerd op werken in de openbare ruimte. Wentholt licht toe: “De meeste projecten zijn verplicht om zich bij het Coördinatiestelsel te melden. Daar stemmen we projecten met elkaar af, proberen werk te combineren en bekijken de impact op onder meer bereikbaarheid en veiligheid. Wat betreft de ondergrond richt het Coördinatiestelsel zich met name op kabels en leidingen. Er zitten netbeheerders en wegbeheerders aan tafel, zodat we in een vroegtijdig stadium afspraken kunnen maken. Het Coördinatiestelsel vormt een fysieke ontmoetingsplek, een plek waar we elkaars belangen kunnen leren kennen.”

Breder

Sinds kort worden er binnen het Coördinatiestelsel ook andere onderwerpen dan kabels en leidingen behandeld. Dat gebeurt in het Planvormingsoverleg, een onderdeel dat erop is gericht om in een vroeg stadium – tijdens de planvorming – de consequenties van bouw- en infraprojecten voor de ondergrondse infrastructuur in beeld te brengen. Hierbij wordt nu ook een quickscan gemaakt van onderwerpen zoals archeologie, bodemverontreiniging, bomen, explosieven, energiekeuzes en grondwater. Dubbeldam heeft zich samen met anderen hard gemaakt voor deze quickscan: “Als er nu een project wordt behandeld, buigen mensen uit zes sectoren zich over het project. Dan krijg je echt een totaalplaatje.”

Wentholt: “Je merkt dat netbeheerders behoefte hebben aan verbreding, ze realiseren zich dat er winst te behalen is als er meer en beter wordt samengewerkt met andere beleidsonderwerpen. Laatst werd er bijvoorbeeld onverwacht verontreinigde grond aangetroffen bij wegwerkzaamheden in een winkelstraat. Het project liep vertraging op, de straat bleef langer onbereikbaar en er kwamen klachten van lokale ondernemers. Dan zie je dat het onvoldoende meenemen van andere beleidsonderwerpen vervelende consequenties heeft.”

 

 

 

 

De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in het bestaan van bodemverontreiniging: van groen/schoon naar rood/sterk vervuild. (Kaart: DMB i.o.v. Stichting Amsterdam Ondergronds)

 

Wentholt hebben daarom ook op het gebied van bodemverontreiniging naar samenwerking gezocht. Dubbeldam: “Als Waternet gaat graven, bijvoorbeeld voor onderhoud aan rioleringen, dan nemen ze grondmonsters omdat ze niet in vervuilde grond mogen werken. De waarnemingen houden ze bij op tekeningen, waardoor ze een goed beeld hebben van de bodemverontreiniging in Amsterdam. Door de quickscan is het bodembureau van Waternet nu beter aangesloten op het Coördinatiestelsel. Netbeheerders hebben zo ook profijt van de informatie en Waternet kan haar eigen projecten beter afstemmen met de gemeente, bijvoorbeeld als het gaat om bodemsaneringen.”

“Er zijn al veel gegevens; het gaat er vooral om hoe je die gegevens inzichtelijk kunt maken”, zegt Wentholt. “Het Bureau Stadsregie registreert projecten in het Coördinatiesysteem Openbare Ruimte Amsterdam (CORA). Nu is dat systeem met name gericht op wegwerkzaamheden, maar het lijkt ook geschikt om data van de ondergrond mee te ontsluiten. Je zou de gegevens van de quickscan bijvoorbeeld via lagen in CORA inzichtelijk kunnen krijgen. We zijn daar nu de mogelijkheden van aan het onderzoeken.”

Dubbeldam: “Door het maken van zo’n PLAN Amsterdam over de ondergrond worden mensen gedwongen om uit hun hokje te komen. Zo wordt het steeds normaler om breed over de ondergrond te denken.” Wentholt beaamt dat: “Het blad attendeert projecten op de vele thema’s die spelen in de ondergrond, en dat met elkaar samenhangt. De werelden van het ondergronds bouwen en de bodemecologie zijn in praktijk nog erg gescheiden. Het is goed om te zien dat deze grens in het blad vervaagt.”

Ontzag voor schaalgrootte Chinese ondergrondse projecten

Het zwaartepunt van ondergronds bouwen ligt de komende decennia in Azië, vooral in China. Daarbij zal men naar verwachting steeds minder behoefte hebben aan westerse ondersteuning. De studiereis die KIVI-NIRIA TTOW begin dit jaar maakte, liet zien dat de markt voor ondergronds bouwen zich in China razendsnel verder ontwikkelt. Zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde.

Een groep van eenentwintig TTOW-leden bezocht ondergrondse projecten in Hong Kong, Zhuhai, Guangzhou en Dongguan. De schaalgrootte van projecten, de snelheid waarmee ondergrondse werken tot stand komen en de enorme ambitie van de Chinese overheid zijn overweldigend. Alleen al het voornemen om alle Chinese steden met meer dan een miljoen inwoners (circa vijftig) van een metronetwerk te voorzien, tart het voorstellingsvermogen. Voor de Guangzhou Metro Corporation bestaat de bouwopgave uit uitbreiding van het metronetwerk van 250 naar 500 kilometer in de komende vijf jaar.

Voor heel China geldt de opgave om een hogesnelheidstreinnetwerk (hsl) van zestien duizend kilometer aan te leggen. Aansluiting van Hong Kong op dit netwerk vergt een vijfentwintig kilometer lang ondergronds traject. De delegatie bezocht de Nam Cheong Site van dit project. Van het ondergrondse traject wordt circa veertien kilometer gerealiseerd door middel van drill & blast, negen kilometer door middel van tunnelboormachines en circa twee kilometer in de vorm van cut-and-cover-tunnels. Dragages-Bouygues JV is de aanneemcombinatie voor de boortunnels en eindstation West Kowloon Terminus. Twee mix-shield TBM’s met een diameter van circa negen meter boren twee tunnelbuizen van elk 4.400 meter. De uitdagingen van dit deelproject zijn gelegen in het realiseren van boortunnels in de directe nabijheid van hoogbouw, het boren van onderlangs bestaande metrotunnels en het obstakelvrij maken van het boortracé.

(Foto: Paul Gommans)

De Hong Kong – Zhuhai – Macau Bridge (HZMB) Fixed Link

Hoogtepunt van de studiereis was het bezoek aan de Hong Kong – Zhuhai – Macau Bridge (HZMB) Fixed Link. Deze circa vijftig kilometer lange verbinding tussen Hong Kong en Macau omvat onder andere een dertig kilometer lange brug, twee kunstmatige eilanden en een zes kilometer lange afzinktunnel op veertig meter diepte. Het Nederlandse TEC is nauw betrokken bij de ontwerpfase en de engineeering. Alhoewel Nederlandse partijen pogingen hebben gedaan om ook bij de bouw te worden betrokken, is de uitvoering in handen van Chinese bedrijven. Wel worden door Trelleborg vanuit Nederland alle voeg- en GINA-profielen voor de zinktunnel geleverd.

De delegatie bezocht achtereenvolgens het informatiecentrum met interactieve maquette, de controlekamer en de imposante elementenfabriek op Guishan-eiland, waar een immense lopende band is gerealiseerd waar twee tunnelelementen tegelijkertijd worden geproduceerd.

(Foto: Paul Gommans)

Voor een aantal deelnemers aan de studiereis was dit project extra interessant vanwege overeenkomsten met de Fehmarnbelttunnel in Denemarken. Een van de deelnemers, onder de indruk van de omvang van het project, na afloop: “En dan te bedenken dat de productiefaciliteiten voor de Fehmarnbeltlink zeker twee keer zo groot moeten zijn om het werk op tijd af te krijgen.”

Na Guishan-eiland volgde nog een bezoek aan het kunstmatige eiland dat de brug en de afzinktunnel gaat verbinden. Hier zijn drieënveertig meter hoge stalen caissons in de bodem getrild, waarbinnen een cut-and-cover-tunnel wordt aangelegd. De ontmoeting op het hoofdkantoor van HZMB ter afsluiting van dit programmaonderdeel gaf de delegatieleden achtergronden, cijfers en de kans om vragen te stellen. Een presentatie van Hans de Wit over de Fehmarnbelttunnel gaf inzicht in de overeenkomsten tussen beide tunnels.

Herrenknecht China
Alhoewel de HZMB deels een afgezonken tunnel is, worden de meeste tunnels in China geboord. De benodigde TBM’s worden door Herrenknecht China ter plaatse gefabriceerd. Met een jaarproductie van circa dertig grote TBM’s heeft Herrenknecht China een marktaandeel van circa vijftig procent. In 1997 werkte men hier nog met veertig westerse specialisten en circa vijftig Chinese arbeiders. Anno 2013 werken er nog vier Duitsers en circa vierhonderd Chinese arbeiders en komt vijfennegentig procent van alle onderdelen uit China.

Bij Herrenknecht Tunneling Machinery kon de delegatie het productieproces volgen van het laserstansen van tweehonderd millimeter dik plaatstaal tot de ‘showroom’ van tientallen TBM’s in verschillende maten en toepassingen voor de markt in Zuidoost-Azië, Nieuw-Zeeland en Australië.

(Foto: Paul Gommans)

Met de enorme aantallen en tot de verbeelding sprekende snelheid waarmee in China wordt gebouwd, is het boren van een tunnel geen bijzonderheid meer. Dat bleek onder meer bij een bezoek aan het Dongguang Rail Traffic Line R2-project, waar men TBM’s hergebruikt en de keet met een handmatig ingekleurde A3-tekening in schril contrast stond met de prestigieuze maquette van de HZMB.

Met het bezoek aan Dongguang Rail Traffic Line R2 kreeg de delegatie een goed beeld van hoe honderden kilometers metrolijn in de vijftig miljoenensteden van China tot stand komen. De ervaring met ondergronds bouwen ontwikkelt zich met dergelijke metroprojecten razendsnel in de breedte, terwijl projecten als de hsl onder Hong Kong HZMB zich kunnen meten met andere hoogstandjes als de Fehmarnbeltlink tussen Denemarken en Duitsland of de Busan-Geoje Fixed Link in Zuid-Korea.

Dit was de Onderbreking Verbinden

Bekijk een ander koffietafelboek: